Auteur: willemcroese

Hondenbeet

“Je mag Jerry wel een koekje geven”, terwijl oma dit ongetwijfeld goed bedoeld zei gaf zij mij een rol Verkade San Francisco. Een keuze had ik niet meer, want haar ogen waren op mij gericht. Er zat niets anders op dan de viervoeter zo’n melig stuk Zaans deegwaren te geven.

De verpakking scheurde ik stuk, de koekjes rolden over de salontafel. En alsof het zo moest zijn, ze bleven liggen tot aan de rand van het tafelblad. Ik griste de San Francisco’s bij elkaar. Jerry had snel door wat er gebeurde, die hond zat in een mum van tijd hijgend en wel vlak voor mij.

De tong hing als ongebakken biefstuk uit zijn bek. Zijn parelwitte gebit was duidelijk zichtbaar. De hoektanden waren het meest angstaanjagend, ze stonden fier overeind en waren klaar voor de strijd om bij wijze van spreken een rauw stuk vlees aan stukken te scheuren. Het kwijl stroomde in lange draden uit zijn bek, later begreep ik dat het een vorm was van vreetlust die de viervoeter liet zien.

Ik pakte een koekje en voordat ik het wist hapte Jerry niet in het koekje maar wel in mijn hand. “Auw”, riep ik geschrokken. De afdruk van het gebit stond met rode punten in mijn hand. Ik keek hiernaar en dacht: “Verdomme.” Oma vervloekte ik van binnen voor wat mij was aangedaan.

Na dit voorval heb ik als tienjarig knaapje nooit meer zowel de buurvrouw als Jerry aangekeken, ze konden van mij wat. En dat ik later een groot hondenvriend zou worden kon ik destijds niet bevroeden.

Kwajongens

Cees: “Vroeger kwam ik vaak in een snackbar waar je ook een biertje kon drinken. In die zaak waren ook kwajongens waar de politie belangstelling voor had. Toen ik twee agenten zag aankomen waarschuwde ik die knapen. Zij weg natuurlijk, over de schutting heen. De politiemannen kwamen binnen en vroegen ons naar de jongens. Ik antwoordde: ‘Wij hebben ze net nog gezien en gesproken, maar waar ze nu zijn is een raadsel.’ De agenten gingen meteen naar buiten, maar die mannetjes vonden ze niet meer. Prachtig toch?”

Droom

Cees: “Vannacht droomde ik weer dat ik in Beverwijk was. Wat ik daar te zoeken heb weet ik niet. Midden in de nacht raakte ik in die plaats de weg kwijt in een nieuwbouwwijk. Je loopt voordat je het weet in het zand en overal zie je bouwwerken. Geen mens te zien in het donker om de weg naar huis te vragen.”