Betaalmiddel

Een anekdote over een ‘buitengewone’ oplossing.

‘Als de nood hoog is’

 

 Tekst: RobD, Uw gastschrijver.

 Ieder jaar organiseert één stel uit onze grote familie, bij toerbeurt, een dagje uit met aan het eind van de dag een dineetje. Een van de leukste uitjes tot nu toe werd georganiseerd door mijn zwager Steve en schoonzus Marianne.

We kregen allemaal een 2 euro munt uitgereikt. Enkele muntspaarders in de familie eiste direct mijn munt op, omdat de munt die ik had: “Nou net die ‘ene munt’ was, die in hun muntenverzameling ontbrak!”

‘Je kan net zo goed bierdopjes gaan sparen,’ dacht ik.

Met een hand vol kleingeld begaven we ons naar de kringloopwinkel. Steve sprak ons toe: “Dit is onze ‘eerste’ gang van ons gezamenlijk etentje!” “Iedereen moet een voorwerp kopen, dat met een voorval in de familie te maken heeft gehad.” Dit is dus de grap van ons bezoek: hilarisch!

“Als we straks aan tafel gaan, mag iedere broer, schoonzus, zwager of zus zijn/haar voorwerp, met een bijpassend verhaal, presenteren,” voegde hij eraan toe.

Het zoeken tussen allerlei prullaria gaf veel plezier! Dan weer zag je ineens mijn zwager voorbijsnellen in een rolstoel of zag ik mijn schoonzusje zich verstoppen in een enorme schemerlamp. Ik vond ‘mijn’ voorwerp, ‘Een WC rolhouder’, tussen de huishoud artikelen. Een prachtig exemplaar, in rood-wit uitgevoerd: die in de ‘natte’ hoek van het AJAX stadion niet zou misstaan.

Met een mooi ronddraaiend lampje zou dit product oneindig veel populairder te maken zijn, zoniet onsterfelijk.

Mijn vrouw vond haar voorwerp dicht bij de grond. Kan ook op de grond zijn. Van zakkenrollerij heeft zij geen kaas gegeten: dus acht ik dat uitgesloten. “Mooie portemonnee,” zeg ik. “Ja,” zegt ze. “Die vond ik daar,” wijzend naar de koffieautomaat. “Laat eens kijken,” zeg ik. “Het heeft geen oogjes,” zegt ze. Ik heb ook een grappige vrouw. “Kijk er zit ook nog oud geld in.” Ze laat een biljet met een vuurtoren erop zien. “We zijn gered,” zeg ik. “Ik neem de portemonnee,” zegt mijn vrouw. We rekenen af en gaan in de hal staan wachten op de rest van de groep.

Onze ‘tweede’ gang van het uitje gaat naar een klein museum. In dit museum heb ik mijn verhaal gevonden, passende bij mijn zojuist aangeschafte WC rolhouder. Er kwamen geen verdovende middelen aan te pas: hooguit die klap op mijn kop, die ik kreeg, toen ik het nagebootste schooltje verliet. Kennelijk had ik die na al die jaren nog tegoed.

Ik zonk even weg in mijn gedachten en dacht terug aan 1e kerstdag 1999.

Met Kerst was het gebruikelijk dat de familie dit op het ouderlijke nest samen vierden. Met een groep van ruim 40 personen en 1 toilet gebeurde er het volgende: “Nadat Donald van het toilet afkwam, betrad ik de WC ruimte. Ik hoor de enorme stortbak zichzelf nog vullen, dat kan wel een paar minuten duren. “Ik bevind me momenteel op 18 meter boven NAP,” denk ik. “Maar het lijkt wel alsof ik met mijn blote voeten in de ‘branding’ sta.” Ik snuif de lucht op en denk: “Dit riekt naar problemen. Ligt er hier ergens een dooie walvis?”

Op het moment dat ik wil plaatsnemen, begint de plafonnière ineens heel fel te schijnen. Ik denk nog: “Dat heb je altijd, als de zon zakt en onder het wolkendek uit komt.” Zit ik net, om van een mooie zonsondergang te gaan genieten, hoor ik een harde klap boven mijn hoofd. Er daalt een grijze mist op me neer. Ik zit in het pikkedonker. “Heeft zo’n spaarlamp geen reserves?” Tegelijkertijd moet ik aan mijn Grootje denken:

“Als de nood het hoogst is dan is de redding nabij!”

 Maar niet als je zover van de kust woont!

 

…Ik weet dat er rechts van mij altijd WC papier staat.

Als een vuurtoren opgestapeld, is een dergelijk wc rolhouder als een baken in de mist. Om die arme zieltjes in nood te kunnen bijstaan. Het heeft die avond zeker flink gestormd. Er werd altijd veel gedronken. Door de deining moesten ze allemaal zeker vaak naar de WC. Ik tast in het donker. Alles is op. Het bordje keurig leeggegeten.

“Bedankt hoor!” Ook namens mij vanuit de Kapiteinshut!

Ik probeer mijn vrienden te bellen…voicemail, dan maar appen…geen Wi-Fi in de buurt. Ik zoek in mijn zak, op zoek naar een lawinepijl. Een goed padvinder heeft er altijd een op zak. “Ja hoor,” zak leeg. Dat heeft mijn vrouw natuurlijk gedaan, toen ze het jasje vorige week naar de stomerij bracht.

In de binnenzak van het colbert vind ik een stapeltje traveller cheques, 10 stuks. Ik denk: “Dat moet genoeg zijn.” Ik lees de naam van de rekeninghouder. “N.R.M.” “Dat is toch de Nederlandse Redding Maatschappij?” “Ongelooflijk dat is toch niet te Hardeman!”… “Die naam ken ik!… Rang: Schout bij nacht. Hoe toepasselijk.”

“Het schijnt dat ik bij deze persoon nog een rekening heb openstaan. Die zal ik nu even gaan voldoen.”

Naderhand bleek dat mijn vrouw het verkeerde jasje had meegekregen vanuit de stomerij. Ik ontwaakte uit mijn gedachten en voelde me goed uitgerust door het bezoekje aan het museum. Toen we na ons bezoek aan de kringloop en het museum bij onze ‘derde’ gang ‘het restaurant’ arriveerden, had iedereen voldoende tijd gehad om over zijn of haar verhaal na te denken.

De voorwerpen kwamen op tafel. Ik zag verschillende blikken over mijn voorwerp glijden. Een aantal schoonzussen zag je direct grinniken. Terwijl je bij enkele zwagers een zekere spanning zag.

Na een toast op ons samenzijn bracht iedereen zijn of haar verhaal naar voren.

“Die familie van mij bestaat voor het overgrote deel uit clowns, toneelspelers, komedianten, leraren en dronkaards.”

 Na dit alles hebben we nog gezellig van ons ‘drie’ gangen menu zitten genieten.

——Einde——

 

KL’79

Een anekdote over de tijd als ‘Dienstplichtig soldaat’.

 

‘Ik sta op wacht

en denk aan jou!’

 

Tekst: RobD, Uw gastschrijver.

 Op de keuring voor militaire dienst verklaarde ik tegenover de landmacht- psycholoog dat ons soort mensen van huis uit niet doden. De psycholoog achtte mij ondanks deze karaktertrek uitermate geschikt om te dienen bij de landmacht. “Er moet af en toe wat te lachen zijn,” zei hij. “En lachen dat doe je niet alleen!” Mijn korte optreden vond hij uitstekend in hun genre passen. “U krijgt hierover nog nader bericht,” zei hij.

 Naar aanleiding van mijn keuring kreeg ik een brief met hierin het bevel aan te treden. “Is dit nou Ranking to the Stars and Stripes?” Dacht ik nog. Den Bosch: ‘Oproep voor de 1e Militaire Oefening’. 4 januari 1979. “Negeren van deze oproep leidt altijd tot een bezoekje aan huis van de Marechaussee,” zoals de brief vermeldde.

Enkele jaren later beriepen mijn jongere broers zich bij hun keuring op broederdienst. Het zijn gevaarlijke gladde praters die broers van mij.Ze beweerden dat ik de joker van de familie was, en al voor twee zou moeten tellen. Als psychologen onder elkaar kwam het al snel tot een akkoord.De broers werden buitengewoon dienstplichtig verklaard.

In die tijd dat ik voor mijn nummer moest opkomen, was het conflict in Libanon op zijn hoogtepunt. Vooral toen UNIFIL klaargestoomd werd en er een instructeur door een granaat om het leven kwam, verstomde het lachen.

Ik heb verscheidene keren achter de wacht gezeten. Volgens mij geheel ten onrechte! Tijdens het wachtlopen gebeurde er het volgende:Er kwam een man, gehuld in een oranje trainingspakje en met een blauw mutsje op zijn kop aan de poort, die brulde:

“In naam van Oranje doe open die poort!”

Met zijn lange neus leek hij meer op een figuur uit de Opera ‘Cyrano de Bergerac’ dan op de ‘Nederlandse Leeuw’. Ik vroeg aan hem zijn militaire paspoort te tonen. “Dat was nou net het probleem. Die was hij kwijt,” zei hij. Zijn vrouw had het document mee gewassen in zijn pantalon. “Dus maak die poort nou maar open! Bovendien, mijn vrouw vindt het goed!” probeerde hij voor de tweede keer. Ik dacht: ‘Het interesseert mij niets, wat zijn vrouw ervan vindt.’

“Al vindt de Paus het goed!” zei ik. “Paspoort, Alstublieft!” hield ik vol.

Zoals wellicht bekend is, zwaaien de vrouwen van de beroepsmilitairen thuis met de scepter! Hun ‘mannetjes’ mogen daar en tegen op de kazerne hun ‘ding’ doen. De taak op de kazerne bestaat voornamelijk uit: ‘Het afblaffen en rond commanderen van dienstplichtig soldaten!’

Deze ‘Papierentijger’ leek in zijn geheel niet op een militair. Zijn gezicht had ik nog nooit in mijn prille soldatenleven gezien! Ook al ging het hier achteraf gezien om de kazerne commandant! Voor mijn gevoel kwam hij rechtstreeks uit de kroeg! Had hij maar gezegd: Dat hij koekjes kwam brengen, dan had ik nog wel over mijn soldatenhart gestreken. Maar deze koekenbakker kwam er wat mij betreft niet in!

Later werd ik in verband met het negeren van ‘zijn’ dienstbevel, met terugwerkende kracht gestraft voor mijn oplettendheid en moest ik gaan ‘zitten’. Dat wil zeggen: Een weekeind achter de wacht dus geen weekeindverlof. Het zat er al vroeg in: ‘Een echte Killer. Ze bestaan nog wel maar dan het liefst met pen en papier.

Het peloton zat de hele dag van alles en nog wat te poetsen. Ik poetste meestal mijn eigen platen. Ik had die van mijn moeder meegenomen. ‘Corrie en de Rekels. De kans om thuis tot een wapenstilstand tussen mijn ouders te geraken, nam hiermee toe met een factor 10.

Toen mijn ouders onverwachts de marechaussee op bezoek kreeg, in verband met de verdwijning van 3 lege patroonhulzen, kwamen ze tot ontdekking dat de platen van Corrie Konings verdwenen waren. Om voor mijn ouders onvindbaar te blijven, vroeg ik overplaatsing aan. Niet naar de gevangenis maar naar het officieren hotel-restaurant te Apeldoorn.

Ik had op de administratie gezien dat er af en toe een dienstplichtig soldaat gedetacheerd werd bij het hotel-restaurant in Apeldoorn. Ik overtuigde de CSM ervan dat ik de eerstvolgende geschikte kandidaat was en bracht mijn talent naar voren. Ik begon snel een paar liedjes van ‘Corrie Konings’ te zingen. De majoor vond ook dat ik zo snel mogelijk overgeplaatst moest worden. Hij dacht hierbij in eerste instantie aan de Noordpool. Maar uiteindelijk werd het dan toch Apeldoorn!

Ik meldde me in Apeldoorn. De CSM daar vroeg wat ik kwam doen. Ik zei, “Ik ben gestuurd vanuit Den Bosch.” De ‘brief ‘ die ik bij me droeg, moest ik hoogstpersoonlijk aan de Adjudant van het hotel-restaurant overhandigen. Ik werd direct doorgestuurd naar de Adjudant ‘ene Harry’.

Ik ging opgetogen naar het hotel-restaurant. Ik dacht nog: ‘Die truc met die belangrijke brief werkt altijd! Die militairen kan ik van alles suggereren.’ Ik ga het kantoor in van de Adjudant. De Adjudant fulmineert: “Wat kom jij doen! Ik heb niemand nodig!” Ik blijf ijzerenheinig staan en zeg: ”Ik vind het prima, maar ik heb wel een ‘DIENSTPLICHT’ te vervullen!” “Loop dan maar even mee!” zei de Adjudant. Ik werd direct ingelijfd als Hofmeester.

Na een aantal maanden word ik op het kantoor van de Adjudant ontboden. Hij heeft bezoek gehad van de Marechaussee. De Adjudant vraagt aan mij: “Wat voor gedonder dat is met mij! Eerst de grammofoonplaten van je moeder verduisteren en nu dit!” Ik weet niet waar hij het over heeft. Maar ik kan er ook niets aan doen dat ik gek ben op tafelzilver. “Bedoelt U die zilveren taartschep?” antwoord ik. Hij kijkt me aan alsof hij met een idioot te maken heeft. Ik weet niet in welk toneelstuk ik ben beland, maar heb er ook geen goed gevoel over. Mijn vader is iemand met hele harde handen.

Als ik de drie lege patronen kan overleggen die op de schietbaan zijn ontvreemd dan zullen ze de overplaatsing naar, ‘Hotel de houten Lepel’, ofwel de bajes tegen houden. Ik zeg stoer: ”Als het ‘Den Helder’ is dan werk ik overal aan mee.” Ik vertel de adjudant dat een andere soldaat de 3 patronen had verduisterd. De Adjudant trekt mij bijna in zijn geheel over zijn bureau heen. “U kunt beter aan de andere kant gaan staan,” zeg ik nog. “Op deze manier wil ik niet ondervraagd worden,” zeg ik en doe een beroep op de rechten van de mens. Ik zet mijn hakken in de vloerbedekking en eis eerst koffie en een sigaret.

Ineens komt er een kale B-acteur binnenlopen. Ik denk: “Nou zal je het krijgen.” Hij komt gelukkig alleen de prullenbak legen en verlaat weer het kantoor. “Hoe is de koffie?” vraagt de Adjudant streng. “Ze is wat slap,” zeg ik.“Maar dat heeft er allemaal niets mee te maken!” zeg ik.

“Ik ben gewoon door die andere soldaat gechanteerd. Hij heeft me onder druk gezet door die platen en die taartschep mee te nemen. Wanneer ik hem zou verlinken dan zal hij ervoor zorgen dat de grammofoonplaten van mijn moeder en die taartschep vernietigd zouden worden!” “Die soldaat weet toch wat hij moet doen als ik doorsla! Bovendien kent hij mijn ouders ook. Als zij dit horen dan is de wereld te klein.

Vergeet niet dat de kazerne commandant mij altijd ten onrechte achter de wacht had opgesloten. Wanneer je je dus altijd als een Zonnekoning gedraagt dan maak je daar geen vrienden mee! Begrijpt U nu waarom ik ben weggaan?”

Ik voel me net de soldaat van Oranje maar dan anders.

(Zoiets als koffie ‘verkeerd’)

Ik moet mijn hofmeester’s spullen inleveren en wordt diezelfde dag nog naar het hotel overgeplaatst. Ik word als dienstplichtig soldaat aan de huismeester toegevoegd. Iedere dag in mijn VT pakkie, met een schoon overhemd en gepoetste schoenen. Ik heb leuk kantoorwerk met ontvangst van de gasten en uitgifte van hotelkamersleutels.

Opeens is er blinde paniek in het hotel. De Adjudant komt met een belangrijk telex bericht ons kantoortje binnen stieren. “De bevelhebber heeft een Mop inspectie aangekondigd,” zegt hij. Voor een Mop inspectie geldt het volgende: Wat er aan materieel aanwezig is, moet in de boeken ook kloppen! Alles wat boventallig aanwezig is, wordt in die week onder het personeel verloot.

Zo heb ik heb nog jaren tegen een overcomplete straaljager in mijn voortuin aangekeken. In mijn achtertuin stond een afgedankte Leopard tank in het fietsenhok geparkeerd. De kinderen in de buurt speelde er altijd vredesonderhandelingen na, inclusief witte vlag.

De Adjudant moest snel tot resultaat komen. Ik had daar een handig systeem voor uitgedacht waarbij alle goederen met elkaar verknoopt werden en er direct zichtbaar was wanneer er iets ontbrak. In ons kantoor had ik aan de muur twee tegeltjes opgehangen met de tekst:

‘De Kruik gaat zo lang te Water tot zij Barst’

Aangevuld met een nieuwe spreuk:

‘De Ketting is zo Sterk als de Zwakste schakel’

 Veel militairen stonden deze teksten in zich op te nemen. Maar of zij dit ook begrepen, is mij nooit duidelijk geworden. Als ze gevraagd hadden wie dat gezegd had, zou ik geantwoord hebben: “Napoleon Bonaparte”.

De bevelhebber kreeg te horen dat de Adjudant een duivels goed werkje had afgeleverd. Met groot ceremonieel vertoon werd de Adjudant bevorderd tot

Luitenant de tweede klasse; inclusief de daarbij behorende loonsverhoging. Binnen een jaar vertrok: ‘Luit Harry’ richting ‘Zonnendael’.

Dit is een luxe villawijk onder de rook van Arnhem.

Ik werd door hem nog voorgedragen als soldaat der 1e klasse; wat een financiële positieverbetering van fl.6,25 op jaarbasis zou opleveren. De boekhouder protesteerde nog dat hij dit niet kon uitrekenen, zo weinig vond hij dit.

Als je eenmaal bevorderd bent dan word je steeds voor herhaling opgeroepen. Ik vond 14 maanden landmacht wel lang genoeg en heb voor verdere deelname bedankt. Dat poetsen heb ik hier wel geleerd. Al leek het meer op poetsbakken.

Einde

School’s out forever

Anekdote over ‘optreden’ in mijn middelbare schooltijd

Sancta Maria 1970 – 1976

 Tekst: RobD. Gastschrijver

 Na de basisschool moest ik door naar een scholengemeenschap. Een met wel 2600 leerlingen. Het scheen niet goed te zijn als je gewoon een vak zou leren. Het was beter om iets met het hoofd te doen aldus onze decaan. Oud minister Ruud Lubbers had zijn mond vol, over werkkampen ‘voor die jongelui.’ Hier stond er een. Inclusief Katholiek internaat.Het onderwijs werd er gegeven door Jezuïeten: Dit zijn mannetjes in lange zwarte jurken (Rokkers) bijgestaan door De Heilige maagd Maria. Niet te verwarren met ‘Rockers’ die over andersoortige ‘hemelse’ instrumenten beschikken.

Mijn klassenleraar in 1970 was mijnheer de Wit en gaf wiskunde. Hij verorberde per les ongeveer 4 krijtjes. Ik vermoed op doktersvoorschrift. Zijn tanden waren zo geel dat het stucwerk van het plafond er nog witter door leek. Al naar gelang je ‘Slecht’ of ‘Goed’ presteerde, moest je een bankje naar voren of naar achteren schuiven. Als de bankjes nou wit geweest waren en de leerlingen geheel in zwart gekleed zouden gaan dan had er nog wel wat muziek in gezeten, à la Alice Cooper. Om eerlijk te zijn. Ik kon er geen hete chocolade van maken.

Tijdens een wiskundeles stond mijnheer de Wit al krijtjes kauwend voor me. Hij loerde me met zijn verwassen hoofd aan. Ik dacht: “Zo dadelijk gaat hij nog centrifugeren.” Hij keek zo verwijtend naar mij alsof ik met zijn wasprogramma had geknoeid. Hij verschoot van kleur. “Daar gaat mijn mooie witte sok.” Dacht ik. Het schuim leek uit zijn oren te komen. Gelukkig was het gewoon ‘Roos’ dat op de schouders van zijn zwarte colbertje viel. Voordat hij mij een vraag kon stellen zei ik: ”Wij hebben thuis ook een Vaatwasser.” Dit bleek niet het goede antwoord te zijn.

Ik kreeg onmiddellijk een tik op mijn kop en moest na blijven. Ik moest voor straf teksten uit het nieuwe testament overschrijven. Zijn voorkeur ging altijd uit naar het boek ‘handelingen’, dat zeker niet over mijn ‘Rock Legende’ Alice C. ging. Wanneer ik mijn strafwerk af had, moest ik me weer bij hem melden voor een volgende opdracht. Dit ging net zolang door tot hij het genoeg vond. Ik kon hem altijd traceren door zijn witte voetsporen in het schoolgebouw na te lopen. Altijd gingen die witte voetsporen naar het lokaal van de juffrouw Lenie van Nederlands. Dat was beeldschone vrouw. Zij was fantastisch in ‘de Hoofse Liefde’. Misschien kreeg juffrouw Lenie wat bijles van mijnheer de Wit of andersom. Ik weet het niet. Ik heb mijnheer de Wit nooit op haar terrein kunnen betrappen.

Op het terrein van de school was een oud gebouwtje ingericht als kantine. Wij hadden daar de beschikking over een platenspeler. In een platenwinkeltje niet ver van de school kochten we in 1971 platen van Robert Long, met daarop onder andere de nummers ‘Jezus redt alle mensen opgelet’ en ‘Vieze Lieze was haar bijnaam in de stad‘ . Voor pubers heerlijke teksten om mee te scanderen. Deze muziek afgespeeld met een stevig volume klonk ‘geweldig’ over het terrein van de school.

Als door de bliksem getroffen kwam mijnheer de Wit de dansvloer van de kantine opstuiven om de plaat in beslag te nemen. We hebben nog tevergeefs naar een Russische uitvoering van deze plaat gezocht. Ik weet zeker dat mijnheer de Wit in zijn Kozakkenbroek samen met juffrouw Lenie op deze muziek mee gedanst zou hebben.

Maar er waren nog meer rare vogels op die school. Onze leraar Duits, ‘Her Rommel’ bijvoorbeeld. Uit welk slagveld hij weggelopen was weet ik niet. Volgens mij zou hij zich het liefst verkleden als ‘haupststurm fuhrer. Waarbij hij zich zou laten vervoeren in een open Mercedes met chauffeur, geëscorteerd door 4 Duitse soldaten in een motor met zijspan.

Deze mijnheer heeft op een dag in 1972 mijn werkstuk dat ik door omstandigheden 1 dag te laat inleverde, voor mijn ogen in stukjes gescheurd. Ik ben daarna uitgebreid verslag gaan doen bij onze directeur. Het kwam de leraar slecht op een standje te staan van de schooldirectie. Deze leraar had het onheil over zichzelf afgeroepen en was daardoor in ongenade gevallen bij mijn klas. De klassen oudste sprak in de pauze de klas toe: “Een van ons, ‘hij daar’ wijzend in mijn richting was het slachtoffer geworden van deze sadistische man. Her Rommel!” “Dat pikken we niet!” Riep de klassen oudste. “Dat pikken we niet!” Brulde de klas terug.

Volgens mij is onze klassen oudste jaren later nog goed terecht gekomen bij het FNV. De fiets van mijnheer Rommel heeft het zes jaren moeten ontgelden. Zijn ‘fahrrad’ werd het doelwit van allerlei scheikundige proeven. Ook werden er de nodige natuurkundige experimenten op zijn fiets losgelaten. Zijn fiets werd heel langzaam weer aan de elementen van de natuur teruggeven. Ik meen dat Her Rommel nu vlakbij het brandwondencentrum in de Beverwijk woont. Zijn fiets logeert waarschijnlijk ergens in de grachten van Haarlem.

Vanaf 1974 stond er één keer in de twee weken een patatkraam voor de ingang van de school. De boterhammetjes van de kinderen werden in ontvangst genomen door de prullenbak naast de patatkraam. Bij navraag zei de patatbakker: ”Die gaan naar de varkensboer.” Toen we elkaar na verloop van tijd beter leerde kennen, vertelde hij dat hij een paar varkens had lopen. Die ‘Varkensboer’ dat was hij zelf! De opbrengst van de prullenbak scheelde veel bijvoeren en was daardoor een mooie bijvangst! Wij kregen vanaf die tijd af en toe een gratis kroketje van hem. Met een schoon geweten genoten de kinderen van hun patat.

De volgende dag kwam er een klasgenoot de klas binnen met een enorme bult op zijn kop. Na ondervraging door de leraar Duits kwam het hoge woord eruit. Een buurvrouw had het patat etende tafereel waargenomen. Naar aanleiding hiervan had ze de vader van Freek gewaarschuwd, over het gedrag van zijn zoon. De vader van Freek was een hele dikke landmacht majoor die ruimschoots boven zijn streefgewicht zat. Voor deze bullebak liep ik graag een blokje om. In de oorlog zou hij naar mijn huidige inschatting niet meer dan een ‘Sitting duck’ geweest zijn. Maar dat terzijde.

Terugkomend op deze oneerlijke geschiedenis… De vader had Freek ook een paar ‘patatten’ verkocht. Maar dan op het hoofd van Freek! Met terugwerkende kracht kan ik melden dat ik 5 jaar later toen ik mijn dienstplicht aan het vervullen was, de vader van Freek zag aanschuiven tijdens het middageten in het officieren restaurant te Apeldoorn. Ik zag dat hij iedere dag zijn ‘bammetjes’ in de varkensvoerton naast de keuken deponeerde. Deze oliebol at 5x per week gratis de warme hap mee! Als hij aan het eind van de dag naar huis ging dan kreeg hij thuis waarschijnlijk nog een keer een warme prak.

Ik had enkele volzinnen paraat staan. Wat er zeker toe geleid zou hebben dat ik de hele van Heutz compagnie op mijn hals zou halen. Op dat moment kon ik niet beschikken over het zooitje huurlingen dat mij vroeger altijd op school bijstond. Dus ik hield mijn kruit droog.

Tot slot nog een bizar voorval. In 1975 werd er een leerling doodgereden voor de school. Wij die in de leeftijd waren waarop de jongens en meisjes elkaar op een speciale manier leerde kennen, kregen van een dergelijk monnik te horen dat dit ongeval gebeurde met de jongens die niet met hun handen boven de lakens sliepen. De kinderen waren geschokt. Niet lang daarna opende er in dit stadsdeel vlakbij de school een afdeling van de geestelijke gezondheidszorg.

Toen ik hierover nadacht, bedacht ik me het volgende:

‘Het enige ‘naakt’ dat deze celibataire geestelijke

in de hand hield was zijn eigen persoonlijk naakt.

Als ware hij de personificatie van de ‘Stier’ van Potter.

Narcist!’

Gaat heen en vermenigvuldigd U. Een kanskaart of een verdubbelaar?

Einde—