Gierende banden

Leestijd: 5 minuten

Een anekdote over een knellende relatie

 

 

Wij benijden een mens niet

om geluk, dat hij heeft,

maar om een geluk,

dat ons ontbreekt

 

 Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

Hûs Helûk

Iedereen heeft er wel één in zijn omgeving. Zo’n onverstaanbare Zeeuwse babbelaar. Een kerel, een collega, een vriend of een kennis die alles mooi voor elkaar heeft. Hij heeft een mooi huis; Hij heeft slimme  kinderen; Hij bezit een hond die nooit ziek is; Hij heeft vriendinnen bij de vleet en hij is ook nog eens in één keer met het juiste vrouwtje getrouwd. Kortom een ‘Guus Geluk”, of op zijn Zeeuws een ‘Hûs Helûk’. Het lukt mij maar niet om dit uit mijn snhavel te krijgen.

Na een drukke dag leg ik mijn hoofd op mijn kussen en steek mijn neus in de veren. Ik val snel in slaap. In mijn R.E.M. slaap sta ik ineens voor een rood verkeerslicht te wachten. Rechts van mij duikt er een witte Eend op. Ik kijk naar de bestuurder van dit vehikel.

Mijn blik glijdt over het dashboard. Het is kwart over twee. Ik zie allerlei dingen op het dashboard die mijn auto zeker niet heeft. Ik word aangetrokken door het stuurwiel en staar naar een embleem. Zit ik in een Porsche?! Dat is andere koffie dan thee.

Opeens hoor ik slippende banden naast me op het wegdek. De Eend schiet als een pijl uit een boog weg. Ik ruik de geur van verbrand rubber. Ik moet mijn gaspedaal diep intrappen om hem bij te blijven. Binnen 2 seconden zit ik naast die Race Eend.

Ik zie dat ik 100 kilometer per uur rijd. Veel harder zal het toch niet gaan, denk ik. De bestuurder van de Eend accelereert. Ik moet er weer als een dolle achteraan en moet bijschakelen om geen terrein te verliezen. De snelheid is inmiddels opgelopen tot 175 kilometer per uur. Op het moment dat ik naast hem rijd, herhaalt het zich nog één keer. Nu zit hij in zijn 3e versnelling vermoed ik.

De Porsche begint het naar zijn zin te krijgen. Ze maakt een spinnend geluid. De kilometerteller geeft 235 km/u aan. Als ik op het punt sta om de Eend in te halen, zie ik dat de bestuurder zijn raampje openklapt. Ik laat het raam van de Porsche aan de bijrijderskant heel langzaam zakken. Heel voorzichtig kom ik  langszij.

Door het kabaal van de Eend kan ik de man niet goed verstaan. Ik herken de Eend. Iemand rijdt in mijn auto. De bestuurder maakt wilde gebaren alsof hij een trompet bespeelt. Hoe krijg ik dit ding in zijn overdrive? Volgens mij overdrijft hij. De 2CV heeft maar 4 versnellingen. Verrek, nu zie ik het. De piloot is onze eigenste Hûs Helûk. Hij wil zijn Porsche terug!

Al ratelend vliegen we over een rotonde. Dan duikt de Eend rechts een vijver in. Ik word door een tweetonige hoorn en een lichtsignaal ingehaald. In één klap leg ik de wekker het zwijgen op. De wijzers geven inmiddels halfzeven aan. De plicht roept. Uit de veren! Vandaag moet ik het opnieuw gaan proberen!

Na het ontbijt snel aankleden en hup de auto in. Mijn mobieltje gaat over. Nog versufd door het vroege tijdstip zet ik de beker koffie op het dak van de ‘Porsche’. Ik stap zonder de beker koffie in de auto. De lampjes op het dashboard gaan als een feestverlichting tekeer. Met een goed gerichte klap leg ik ze het zwijgen op. Ik ben ook geen ochtendmens.

Het lampje van het motor management blijft gedurende de hele weg naar mijn werk branden. Als een opkomende zon verandert het lampje van geel, oranje naar rood en weer terug. Als ik op mijn werk kom en uit de auto stap, blijkt het ‘lelijke eendje’ gewoon een 2cv te zijn. Maar dat wist ik al. Volgende maand maar een(d)s met de garage afspreken. Misschien hebben ze nog een leuk race eend in de aanbieding.

Terwijl ik een parkeerplekje zoek, zie ik een splinternieuwe rode Porsche het terrein opdraaien. Hij parkeert op een gereserveerde plek. Daar stond vorige week nog de vergulde Tesla van Guus Geluk. Krijg nou wat. Het is mijnheer zelf. ‘Hûs’ bedankt me nogmaals voor het geluks dubbeltje dat hij een aantal jaar geleden van mij bij wijze van aardigheidje voor zijn verjaardag, had gekregen. Het heeft hem zeker geen windeieren gelegd.

Guus Geluk is al jaren een gelukkig getrouwd man. Maar daar moet toch iets aan te doen zijn. Alle collega’s verdringen zich in de pauze rond de aanwinst van Guus. Niemand mag in de auto rijden. Alleen kijken. Handen op de rug en fluiten. Wat een ei… zeggen de collega’s  en ik tegen elkaar.

Guus vertelt ons dat zijn vrouw samen met een vriendin de Porsche het komend weekeind over de Deutsche Autobahn zal sturen. Samen naar München. Wij ruiken onze kans. De week erop moet ik Guus van huis ophalen omdat de Porsche voor een 1000 kilometer beurt in de garage wordt verwacht.

Die ochtend wordt ‘Hûs’ door mijnheer van Puffelen Van de Porsche garage gebeld. Hij heeft wat vragen over zijn bolide. Het heeft de toon van een slecht nieuwsgesprek. Zo iets als bij overlijden van een dierbare. Dit is een zeldzaamheid zegt mijnheer Van Puffelen. Excuseert u mij voor het taalgebruik. Maar de automatische transmissie is finaal naar de kloten. Die bakken gaan minstens 300.000 km mee. Dat is nog niet alles. De lagers in de voortrein en banden zijn tot de draad versleten. Heeft de ‘bestuurster’ (?) een ‘Donut’ op het wegdek proberen te maken? Waar bent u met de wagen wezen rijden als ik vragen mag?

Ik zie Guus Geluk naar adem happen en loop naar hem toe. Hûs, bakkie doen? Hij wimpelt mij af. Van Puffelen zet er nog een tandje bij op weg naar de finish.

Wij hebben aan de hand van de data van de GP(S) geconstateerd dat er op de Nürburgring is gereden. Tevens blijkt uit verdere analyse dat er 235 kilometer per uur in de 3e versnelling is gereden.

Ik maak een trompetterend gebaar als teken van Victorie. Deze reparaties vallen buiten de garantie voorwaarden. Onoordeelkundig gebruik van de auto mijnheertje. Ik zou u niet in mijn renstal willen hebben. Er valt een stilte. Guus kijkt op het display van de telefoon.

Guus wil een sigaret. Van Puffelen doet hem het volgende voorstel. Voor de restwaarde van het wrak mag hij één van de Citroën occasions komen uitzoeken. Voor de verwijdering van de Porsche zal Van Puffelen persoonlijk zorgdragen. Hûs gaat er over nadenken. Hij besluit met zijn vrouw te overleggen.

Als hij zijn vrouw belt is het muisstil op de afdeling. Wij willen geen woord van het gesprek missen. Terwijl de halve afdeling met een echtscheiding worstelt, is iedereen toe aan een verzetje met de twee tortelduifjes. Ik zeg nog tegen Hûs dat ik mijn wagen om diverse redenen nooit aan hem zal uitlenen. Daar mag hij alleen maar van dromen, zeg ik.

Terwijl iedereen zich zit te verkneukelen, horen we een heel lief en boterzacht gesprek. Mijnheer de duik ’eend had het vanaf het begin al door. Hoe dan? Mijn Porsche dealer kan nooit vanuit ons magazijn via een interne lijn gebeld hebben. Bovendien wist de garage niets van de weekend trip van mijn vrouw met haar vriendin naar München. Dat wisten alleen jullie! Volgende keer vroeger opstaan. Dromen jullie maar lekker verder. Guus we vinden het gewoon een kèk karretje.

Einde—