5 december 1964

Leestijd: 2 minuten

Een anekdote over een Goedheiligman

 

Ons wantrouwen rechtvaardigt

het bedrog van anderen

 

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

Malle Pietje

Een verkleed man met een houten been brengt in een wit kussensloop de cadeautjes uit naam van St. Nicolaas. Ik zag in één oogopslag dat het mijn vader was. Ik ken niemand anders met zulke blauwe ogen!

Als hij weg is, zoeken mijn zus en ik de pepernoten die hij rondgestrooid heeft.

De zak met cadeautjes wordt later die avond uitgepakt als mijn nieuwe tante Fannie en Koen, mijn Vader op zijn houten been, arriveren. Ze waren wat verlaat doordat hij zijn gebit in de bus had laten liggen. Doorgaans was het zijn been dat hij vergat.

Pas bij het uitstappen, miste hij zijn bijtspijkers. Door de snelle reactie van Fannie kon de bus nog net halt(e) houden. Na een korte zoektocht van 10 minuten kon de buschauffeur zijn rit, inclusief een forse vertraging, voortzetten.

Mijn zus kreeg die avond een pop met één oog. Waarmee zij dat oog verloren had, weet ik niet. Ze was er erg blij mee. Ja, met die pop dan.

Mijn tante die naast het stiefouderschap ook kindertherapeut was, vond het allemaal heel verantwoord. Ze kon zelf geen kinderen krijgen, maar mijn moeder wel. Ze leefde al een jaren in concubinaat met mijn vader. Opa zei altijd “Ze leven in kont-kriebel-naat” en knipoogde er altijd bij. Dat met die ogen was iets erfelijks volgens mij.

Nu kon zus lief, met die eeuwige pleister op haar goede oog, volgens inschatting van tante Fannie, het leven beter onder ogen zien. Mijn zus, ‘Cat’ kon zo haar probleempjes met haar cycloop delen.

Tante Fannie kampte al jaren met haar luie oog. Ze deed in haar vrije tijd aan hordelopen en deed dat heel verdienstelijk. Op latere leeftijd liet ze het onbewuste oog vervangen door een kunstkijker. Het kostte mij moeite haar door dat glazen oog goed aan te kijken.

In de tussentijd dat ze met Catootje bezig waren, stopte ik uit voorzorg zoveel mogelijk pepernoten in mijn zak.

Doordat mijn zusje geen diepte kon ervaren, hadden afstanden voor haar geen enkele betekenis. Ze was op haar 13e jaar al vele malen jeugdkampioen op de 60 meter sprint. Als een halve hinde vloog ze over de baan.

Toen ik eindelijk aan de beurt was, aanschouwde ik mijn cadeautje. Een aftands autootje op drie wielen. Ik kende dat autootje. Een witte Chevrolet! Precies zo eentje had Pietertje, de buurjongen, ook. Wat een hysterisch toeval.

Zijn gescheiden vader reed hem in het weekeind rond in zo’n grote hoerensloep.

“Dat zou ik ook wel willen…zo’n Amerikaan(se)”.

Later die week vernam ik van Pietertje dat St. Nicolaas hem een ‘hele mooie melkwagen’ had geschonken. “Wat een geluksvogel die Pieter!

“Dat zou ik ook wel willen…zo’n ‘Geluksvogel’.

Volgend jaar misschien maar weer.”

Pas op de laatste levensavond van mijn Vader Koen kreeg ik te horen dat de goede Sint zijn geschenken altijd betrok van het antiquariaat ‘de Malle’.

“Je weet wel van ‘Piet Ekel’, zei mijn vader.

Die houten poot van ‘VaKo’ bewaar ik als een heilig relikwie ingebed tussen de jeugdherinneringen in mijn vitrinekast. “Wat dat been allemaal heeft meegemaakt. Dat wil je niet weten!”

 

Einde—