Alfa mannetje

Leestijd: 3 minuten

Een anekdote over een luizenstreek

 

Wie met katten speelt,

weet dat hij gekrabd

kan worden

 

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

Luchtfietserij

Het is juni 1976. Het einde van het schooljaar is in zicht. Mijn laatste boterham zit aan de bodem van mijn tas vastgeplakt. Ik zie zelfs nog een oud stukje worst zitten. Mijn tas vertoont meer het uiterlijk van het huisje van Hans & Grietje. Van binnen is het helemaal opgebouwd met koek en chocolade.

Terwijl ik met de tas bezig ben, word ik in mijn zijde gegrepen door mijn liefste  klasgenote. Zij roept: “Knibbel knabbel knuisje. Wie knabbelt er aan mijn huisje?” Uitgerekend zij, met de bijnaam ‘w(b)itch’ wil zich met mij bemoeien. In haar huisje zal ik dit schooljaar mijn tanden niet meer zetten.

Op weg naar huis krijg ik een hongerklop. Als onze postbode Gerrit mij inhaalt, zie ik de stokbroden nog uit zijn f(b)ietstassen steken. Ik maak een huilend, kwakend geluid alsof ik door motorpech ieder moment uit de lucht kan vallen. Gerrit mindert vaart en vraagt wat er aan scheelt. Hij ontfermt zich over mij als ware hij een ploegleider uit de tour de France. “Ik zie het al. Een duidelijk gevalletje voor een rode lantaarn. Jouw suikerspiegel is veel te laag broeder. Daar helpt geen korstje brood meer aan”, zegt Gerrit. Hij geeft me twee pepermuntjes. Al claxonnerend vliegt hij snel weer verder.

Na thuiskomst sla ik rechtsaf de voorraadkast in. Eerst de bloedsuikers wat oplappen. Om de plundering van de voorraad een beetje te verhullen, etaleer, belucht en vul ik enkele artikelen aan. Jenever is goed aan te vullen. De smaak van de jenever zal door het kalkrijke water niet wezenlijk veranderen. Die Ketel 1 wordt hoogstens Ketelsteen. Van gewoon smerig naar smerigst.

Bij koekjes ligt dat ingewikkelder. Hierbij moet je volgens mijn jongste broer ‘slimmer’ te werk gaan. Lees maar verder.

Ik ontdekte een pak bokkenpootjes waarvan de houdbaarheidsdatum kritiek was. Daar kon ik wel wat aan doen. Ik haalde er 4 koekjes uit en herschikte de rest. De doorloopsnelheid van de koekjes harmonieerde nu veel beter met de houdbaarheidsdatum. Gewoon meer bokkenpootjes eten dus. Dan hoef je ook niets weg te gooien.

Die middag verdwenen bij thuiskomst, zoals gebruikelijk, mijn broers ook eerst een poosje in de voorraadkast. Tegen het avondeten was het de beurt aan mijn jongste broer. Hij verdween naar zijn kamer met een koekjesverpakking, met daarin nog minstens 6 bokkenpoten, en een LP van ‘Corrie Konings’ van moeder.

Vader krijgt elke avond, voor het acht uur journaal, zijn koffie geserveerd. Ook mijn jongste broer is weer aangeschoven om het ge-Emmer van Fred aan te horen.

Moeder wil vader trakteren op zijn lievelingskoekje. Ze loopt weg om ‘de bokkenpootjes’ te halen. Ik hoor haar pruttelen. “Hoe kan dat nou. Waar zijn die koekjes gebleven”, zegt ze. Mijn jongste broertje reageert heel vilein. “Heb je al in de prullenbak van Rob gekeken?” Moeder verdwijnt voor enige ogenblikken.

Dan staat moeder ineens met een lege koekjesverpakking voor me. Woest, alsof ik haar pels heb verpatst aan een of andere voddenboer. Ze laat de lege verpakking aan me zien. “Jij!”, gilt ze. Ik word vervolgens door haar de mantel uitgeveegd. Ik kijk naar mijn jongste broer(st), die mij achter haar rug staat uit te lachen.

Dit vraagt om actie van mijn kant. Als ik ‘s avonds de hond voor de laatste keer die dag moet uitlaten, parkeer ik de fiets van mijn broertje in de brandgang achter het huis. Ik heb met mijn vriend al telefonisch overlegd, dat deze fiets in de lantaarn bij het speelpleintje moet komen te hangen. “Komt voor de bakker”, had hij gezegd.

Om de druk op het b(e)roertje een klein beetje op te voeren, heb ik zijn wekker een half uurtje terug gezet. Tevens heb ik de knopen van zijn jas geknipt. Als hij mij probeert te naaien, mag hij met zijn jas beginnen. Maar dan moet hij wel wat vroeger opstaan!

De volgende ochtend, als het hele gezin al heeft ontbeten, komt mijnheer eindelijk zijn bed uit. “Waarom ben je zo laat?”, vraagt moeder poeslief. “Hij lag schaapjes van koek te tellen in zijn slaap”, gok ik. “Hou jij je mond maar”, zegt moeder streng mij.

Hij schreeuwt iets onverstaanbaars in mijn richting. Hij verdwijnt naar de schuur om boos terug te komen. “Waar is mijn fiets?” roept hij. “Heb jij een fiets dan?” voeder ik verder. Misschien ligt die wel in de prullenbak van Rob!”, zeg ik. “Wat ben je nou aan het luchtfietsen?”, zegt mijn broertje. “Dat ga ik niet zeggen. Ik ga nog liever de lucht in”, zeg ik.

In eens snapt mijn broertje waar zijn fiets zou kunnen zijn. Zijn ‘koekje van eigen deeg’ valt. Hij rent naar het van Speijk-plein. Zijn fiets hangt keurig op 5 meter hoogte in een lantaarn geduldig te wachten op de rechtmatige eigenaar.

Het was maar een grapje”, zegt mijn broertje. “Ik had het idee dat je me in de maling zat te nemen, dan is het goed”, zeg ik.

Samen halen we zijn fiets uit de lantaarn.

Broer, B(e)roerder, Broerst.

 

Einde—