Vastloper

Leestijd: 5 minuten

Een anekdote over een postbeambte

 

Werk is het mooiste wat er is,

laten we dus altijd zorgen dat we iets

voor de volgende dag overlaten

 

 

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

 

Verbeeldingskracht

De regen slaat tegen de ramen. De vlammetjes in de kachel likken aan de eierkolen. Ik hoor de wind in de schoorsteen zachtjes huilen. Dit weekeinde worden alle vogels geteld. Ik zit met mijn verrekijker in de aanslag. Vanaf de keukentafel kijk ik uit over de landerijen die langs de dijk van noord naar zuid lopen.

In de verte zie ik een zwart silhouet fladderen. Die zwarte vle(r)k lijkt wel op een ‘zwarte’ ooievaar. Er is voor zover mij bekend geen gezinsuitbreiding op komst. Ik tuur nogmaals door mijn verrekijker. “Nee maar? Dat is Gerrit!! Onze dubbel gem(fr)ankeerde postbode! De jongste zoon, van de oude touwslager op de lijnbaan gracht. Die heeft al heel wat meegemaakt!”, klepper ik tegen mijn vrouw.

Voordat ik met tellen begon, heb ik de laptop en iPhone in onze bedstee verstopt omdat ik op geen enkele manier gestoord wil worden. Op deze maatregel maak ik maar één uitzondering. Namelijk voor Gerrit. Voor hem is er altijd een plekje vrij. Als het niet anders kan dan op het karrenwiel.

Nu heb ik hem heel duidelijk in het vizier. Hij stampt, half uit zijn zadel, voorovergebogen op zijn zwarte, zware dienstfiets mijn kant op. Hij snijdt met zijn spitse rode mondkapje de ‘zuidwester’ storm in tweeën. De zwarte cape die naast hem opbolt, stuwt hem als een stormvogel voort.

Ik weet dat hij ’s ochtends al om 05.00 uur bij de Franse bakker in het dorp te vinden is. Hij vult daar iedere werkdag zijn fietstassen met het onverkochte brood van de ‘Boulangerie’. Een uur later zit hij tegenover de dorpsapotheek aan de waterkant eendjes te voeren. De dikste exemplaren vangt hij weg om ze daarna ter ‘preparatie’ aan de poelier te overhandigen. Zo vult hij zijn uitkering en de eendenpastei een beetje aan.

Hij kwam terecht in een herstellingsoord voor postbodes. Hij snapte het allemaal niet meer. Er was al 2000 jaar water en nog hadden de mensen een vuile nek!

In deze landelijke omgeving en gezonde lucht kon Gerrit de nodige kracht voor herstel terug vinden.

Ik zie uit mijn ooghoek een groep ganzen over de deel in de richting van de dijk vliegen. Terwijl het geluid van de gakkende ganzen langzaam wegsterft, hoor ik het knerpende geluid van Gerrit ’s fietsbanden over het grind in de richting  van de achterdeur gaan.

Ik vang de in remissie verkerende ‘ooievaar’ bij de deur op. “Dat is lang geleden”, roep ik naar Gerrit. Hij komt een bestelling van de apotheek bij mij afleveren. Hij werpt het pakketje ‘par main’ door de lucht in mijn richting met inachtneming van de anderhalve meter maatregel van het RIVM. “Dit is geen gebakken lucht, die post van jou, terwijl ik het pakketje uit de lucht pluk.

Gerrit vliegt over de vlegelmachine en belandt in de boerensloot. Het is een koddig gezicht. “Bon jour”, zegt Gerrit. Hij wil mij een hand geven maar moet dit achterwege laten vanwege de corona maatregel. Glibberend komt hij op de kant.

Door de val is het in zijn rug geschoten. Het lijkt alsof al zijn ledematen op de verkeerde plek zitten. Dan zet hij zijn gemankeerde poten naast elkaar. Hij slaat met zijn vlerken zijn cape als een paar vleugels opzij. Vervolgens zet hij een stap voorwaarts. Hij trekt zijn rechterpoot in als een ooievaar. Ik zie dat zelfs de achterwaartse kniebeweging klopt. Terwijl zijn linker poot stokstijf blijft staan, gooit hij zijn lijf achterover. Alles schiet weer op zijn plaats. Als hij een oprisping krijgt, spuwt hij een kikker uit zijn broodmolen. Om het af te maken, demonstreert hij een ratelend geluid met zijn klep. “Je lijkt wel een ooievaar!”, kwaak ik enthousiast.

Dit helpt altijd prima”, zegt Gerrit. “Het komt mij voor als baltsgedrag. Doe je dat ervoor of erna? kraam ik. “Nee, in plaats van”, zegt Gerrit. We moeten er beiden om lachen.

Tot zijn grote verdriet was het er nooit van gekomen om een gezinnetje te stichten. Hij vond een nieuwe bezigheid in zijn leven. Hij had er nu vrede mee om als ‘postillon d’Amour’ door het leven te gaan. “…en dat baantje bij de apotheek.”, zeg ik. “Inderdaad, zeer juist”, zegt Gerrit. Ik bied Gerrit koffie en een droog pak aan. Het is het oude uniform van mijn overleden schoonvader die groepschef was bij de Rotterdamse Elektrische Tram.

De laatste keer dat Gerrit iets ‘par main’ bracht was in 2000. Daarna verdween hij van mijn radar om aan het begin van de Corona crisis weer op te duiken. Gerrit kon het allemaal niet meer adresseren. Door alle technologische vooruitgang raakte hij uit het wiel. ‘Mail’ in plaats van ‘Post’. ‘Digitale snelwegen’ in plaats van ‘langs het tuinpad van vader’. ‘Hoge snelheid fietspaden’ in plaats van de ‘jaagpaden’ langs het kanaal, ‘Drones’ in plaats van ‘postduiven’ en in plaats van waarden transporten ‘QR codes’. De rode brievenbussen verdwenen. Evenals de menselijke contacten.

De menselijke maat verdween samen met de nieuwtjes en de bakken koffie. Die oh, zo goed smaakten. Maar bovenal was het bezorgen van pakketjes bij mensen die geen gehoor gaven en ‘nooit’ thuis waren frustrerend en braken hem tenslotte op.

Het verhaal gaat dat Gerrit ten tijde van zijn ziekte het vers gebakken brood, wat voor de patiënten was bestemd, wegnam voordat iedereen wakker werd. Met 4 broden onder zijn arm vertrok hij op kousenvoeten richting de grote vijver van het sanatorium. De eendjes hadden hem al snel door en keken reikhalzend uit naar het dagverse brood.

Pas na 14 dagen toen Gerrit zich een keer versliep, kwam de ‘gemaskeerde eend’ uit de mouw. Toen iedereen aan tafel zat en er vragen over het brodeloze ontbijt kwamen, brulde ‘Kapitein Haddock’ met zijn mond nog vol met scheepsbeschuit. “Oom Donald hier weet er meer van! Voor de draad ermee, wat heb je met ons brood gedaan?” “Ik heb een paar eendjes gevoerd”, zei Gerrit. “Vier hele broden?”, vulde de verpleegsters aan. “Het waren best veel eenden!”, aktie’voer’de Gerrit. Er klonk een hard gekwaak op. Voor het eetkamerraam had zich inmiddels een groep van wel 25 eenden verzameld die hun ‘dagelijks brood’ eisten.

Hij vertelt over zijn bijzondere talenten die hij tijdens zijn opname in het herstellingsoord had ontdekt. Namelijk ‘verbeeldingskracht’. Ik hang vol van nieuwsgierigheid aan zijn snavel.

Gerrit vertelt me de volgende anekdote. “Zoals je misschien wel weet zat ik in een herstellingsoord met  8 collega’s. Op een ochtend kregen we cognitieve therapie. De therapeut gaf ons een bijzondere opdracht. Hij liet ons een denkbeeldige tas gevuld met keien visualiseren. Hij zette in gedachten de tas met keien aan ieders voeten neer. De opdracht was om die tas met keien kwijt te raken.

Alle collega’s kwamen aan de beurt echter zonder resultaat. Toen werden alle ogen op mij gericht. De tas stond voor mijn voeten geduldig te wachten op wat komen zoude. De therapeut richtte het woord tot mij en zei: “Gerrit vooruit met de geit!”

Ik zette mijn petje achterop mijn hoofd en sprak tot de groep: “Deze keien symboliseren problemen. Het kunnen mijn problemen zijn, maar het kunnen ook problemen van een ander zijn. Iedereen vindt het fijn om bij zijn problemen hulp te ontvangen”.

Ik keek naar mijn buurman in de groep. Hij zat instemmend mee te knikken. Hij was op toverslag ontvankelijk voor mijn verbeeldingskracht. Toen was het nog maar een koud kunstje. “Stel dat dit jouw problemen zijn. Ik wil jou wel helpen. Ik ben geen therapeut. Maar ik ken wel een goede therapeut. Zullen we samen de tas naar de therapeut brengen? Zo geschiedde.

Of dit de bedoeling was van de therapeut weet ik niet. Ik hoorde later dat hij zich had laten opnemen in een herstellingsoord voor therapeuten”.

Niet lang erna werd Gerrit uit het sanatorium ontslagen en vond hij een nieuwe betrekking bij de apotheek.

 

 Einde—