Stukgebeten

Leestijd: 2 minuten

Een anekdote over kamewen voewen in de Sahawa!

 

 

Een lege molen draait

ook zonder wind

 

 

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

Terreinknecht

Ik zit thuis op mijn werkkamer een stukkie te schrijven. In gedachten wordt er op de deur geklopt. Ik roep: “Binnen!”. De deur opent zich als vanzelf.

De blauwe Kartuizer schiet tussen mijn benen onder het bureau door. In mijn verbeelding treedt ‘Bertus’ mijn kamer binnen.

Bertus was een enorm grote kerel. Hij werkte op de postkamer. Hij bracht mij af en toe een bezoekje als ik op het werk was. Bertus had een grappig spraakgebrek. Hij kon de ‘r’ en de ‘l’ niet zeggen vanwege zijn ‘te’ slappe tong.

Ik herinner me nog die keer dat hij over zijn nieuwe dienstfiets vertelde. Hij had via personeelszaken  een splinternieuwe ‘Gazewwe’ met ‘vewzwaawd achtewwiew’ gekregen. Hij was er apetrots op.

Hij was een alleen gaande man van 40 jaar en vertelde mij werkelijk alles. In 1988 kreeg hij via het Grafisch Bedrijf Fonds speciale orthopedische schoenen vanwege zijn ‘kwote’ knieën. Die knieën had hij nog uit zijn diensttijd overgehouden.

Andermaal zat hij vol vuur te vertellen over zijn nieuwe ‘tweinempwacement’ dat hij aan het schilderen was. Hij maakte hierbij woeste schilders bewegingen. “Vweugje gwoen, vweugje geew, vweugje bwauw en een vweugje wood”. De eindredactrice, die op kousenvoeten mijn kantoortje was binnengeslopen, stond achter zijn rug mee te luisteren.

Op eens zegt Bertus -out of the blind-: “Weet je wat ze met die nieuwe eind-wedactwice moeten doen?” “Nou”, moedig ik hem aan. “Die moeten ze kamewen waten voewen in de Sahawa”. Ik breek de tent af. “Hou op schei uit”, roep ik. Het duurt een aantal minuten voor ik weer bij zinnen ben. “Zij is toevallig wel mijn vrouw?!”, beken ik door mijn tranen heen.

Een maand later is Bertus opeens terreinknecht. Gewoon op een zijspoor gezet; uitgerangeerd, overgeplaatst, afgedaan. Jammer. De redactrice dacht dat er door Bertus geen letter meer op papier zou komen. Tot zover dit snippertje uit het dagboek van Bertus.

Ik hervat mijn dagdroom met deze aparte vogel. Ik staar weer uit het raam en schrijf weer verder…Bertus heeft al die tijd geduldig staan te wachten.

Zie je niets aan mij?”, zegt Bertus.  Hij etaleert zijn fonkelnieuwe bovengebit door zijn bovenlip op te trekken. “Jasses”, denk ik. Ik bekijk hem van top tot teen. “Heb je een nieuw overhemd gekocht?” vraag ik. “Nee, dat was vowige week! Kijk nou eens goed”, pruilt Bertus. “Ben je naar de kapper geweest? Dat mag weer. Bertus spuugt zijn gebit bijna op mijn bureau. Ik neemt een luisterde houding aan. “Ik weet het! Je hebt een nieuwe bril!”, gok ik.

Nee wuw!”, huilt Bertus bijna. Om het voorval te redden zeg ik: “Nu zie ik het. Heb je in je broek geplast?!? Bertus moet hard lachen. Ik geef het op”, zeg ik.

Mijn vrouw komt de trap op en vraagt wat er te lachen valt. “Nee hoor, alles onder controle”. “Dan is het goed”, eindredacteurt mijn vrouw.

 

Einde—