Feniks

Een anekdote over een lastpost

De onvolmaaktheid van de natuur is de oorsprong van de kunst

 

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

POSTzak

Ik sta in de koopjeshoek van de tandartsenpraktijk te dralen. Er hangen aantrekkelijke vervalsingen. Onder andere een kopie van de ‘Mona-Lisa’. Er staat ook een bak met aquarellen, z.g. ‘Kunst-klappers’ voor maar vijf euro per stuk. Ook staan er enkele antieke voorwerpen. Ik zie een ouderwetse trapboor. Achter de antieke houten behandelstoel staat een enorm geraamte tussen een varen en een Friese staartklok opgesteld. Het bordje voor het geraamte vermeldt dat ‘Charlie V’ slechts 1 maal van eigenaar is verwisseld. Zo goed als nieuw dus. Als zo’n object te vaak op veilingen rondwaart zal dit funest zijn voor de uiteindelijke opbrengst. Op de badhanddoek links van het geraamte is een kroontje geborduurd. Misschien was het een oud Engels koningskind of was het gewoon de oude spits van ‘Katwijk’? Die dubbele naam? Je weet het niet.

Zo ook verloor Charlie V. zijn vader uit het oog tijdens een bezoek aan Nederland. Ik zie het voor me. Charlie verdween in de Bijenkorf tijdens een rijtoer door de binnenstad van Amsterdam. “Zo, die zijn we kwijt!” Iedereen opgelucht. Nooit meer iemand omgekomen. Ja, alleen Charlie V. Hij was niet echt een Bijdehandje. Maar in de ballenbak van de Bijenkorf wel. Een echte ‘spits’ die er met de bal vandoor ging.

Ik bekijk nogmaals het geraamte. Er komt nog een naam aan de oppervlakte. Op een schouderblad staat ‘Sjakie’. De bijnaam van Charlie?  Er wordt een hoge beloning uitgeloofd. Aan de schedel van het geraamte hangt een prijskaartje. 5000 pietermannen. Dat is zeker een hoofdprijs voor het hele ‘Zjaakie’. Ik zie dat er meerdere ribben gebroken zijn. Het lijkt wel alsof dat recentelijk gebeurd is. Met de veter van een voetbalschoen worden de ribben bij elkaar gehouden.

Ik word door de nieuwe assistente opgehaald voor een behandeling. Ik moet plaatsnemen in de zojuist aangeschafte tandartsstoel. Ze is druk bezig om de stoel, die uit een ‘von Braun’ raket lijkt te komen, voor een lancering in te richten. Ze vraagt wel drie keer of de stoel voor mijn nek, rug en benen naar mijn zin staat. “Ik lig liever op mijn zijde”, beken ik. Ik bedenk me ‘Het enige dat ik nu nog node mis, is het ruimtevaart hondje Leika’.

Het aftellen kan beginnen. Weldra zal de tandarts, als een kolibrie, binnenvliegen. Hij zal dan met zijn sonde de binnenkant van mijn kelk inspecteren. De deur zwaait open. In plaats van dat er een kolibrie boven mij hangt, zie ik dat de tandarts met zijn been trekt.

Hij bespeurt in mijn broodmolen meerdere reparaties. “Hortus Botanicus, aijajajai!”, peurt hij. Er dient zich in mijn ‘kroon’inkrijk een nieuwe opvolger aan. Hij adviseert mij om een tandje bij te steken. Ik demarreer en zeg dat ik ervan uitga dat we het over hetzelfde euvel hebben. “Over een ‘verzet’ tegen het verval en niet over een ‘versnelling’ van de ouderdom!” De oude T31 gaat het niet meer redden. Om dit gebrek te verhelpen, moeten er drie ronden gereden worden. Mijn tandarts is ondanks zijn handicap de leider van het klassement. Ik incasseer mijn verlies sportief en word na de 1e ronde, met een lichte verdoving, door middel van een spons en een wapperend theedoekje, in de hoek van de behandelkamer weer bij kennis gebracht.

De assistente houdt het 2e ronde bord omhoog. Ze heeft meerdere hapjes bekokstoofd. Sloffen waarbij het water je niet in de mond stroomt, maar eruit. De sloffen zijn gevuld met een chemische substantie om een afgietsel van het gebit te maken. Het heeft een indringende chemische geur. Dit spul gebruik je doorgaans alleen bij het repareren van een polyester boot. Als de zoemer van de wekker gaat, mogen de ‘lepels’ uit je mond. Als je pech hebt is het goedje zo uitgehard dat je meteen verlost bent van al je andere implantaten, kronen en losse tanden. Dat gebit van mij is inmiddels te vergelijken met de unsinkable ‘Titanic’, Een soort van scheepswrak. Watersporters en tandartsen zijn er, als vakantiebestemming, gek op. Ze zullen het altijd aanprijzen’.

Er is even tijd voor het verhaal van de tandarts. Hij vertelt me dat hij met zijn brommer is onderuitgegaan. ‘Was je aan het appen?”, murmel ik. “Nee, Ik was samen met Charlie V op de brommer onderweg naar de veiling”, zegt hij. “Jij reed”, veronderstel ik. “Ik kreeg onderweg eerst nog een prent omdat Charlie zonder helm bij mij achterop de brommer zat. Ik bromde nog tegen de brigadier dat het om Charlie de 5e ging”, zei de tandarts. “Al was het de paus!!!”, tuutte de brigadier.

Ook zijne doorluchtigheid moet zich aan de wet houden! Daar helpt geen moedertje lief aan”, zei de brigadier. “Enkele straten verderop  kwam ik in een scherpe bocht ten val omdat Charlie ging tegenhangen en uiteindelijk met zijn vlerken tussen de spaken kwam”, zei de tandarts.  “Niets gebroken?”, hoop ik.  “Nee ik heb er alleen een zere knie, een prent en wat oppervlakkige schaafwonden aan overgehouden”, grimast de tandarts.

Opeens realiseerde de tandarts zich dat de plaatselijke postbode een broer van de brigadier is. “Ene Anton Gleuf. Hij leest altijd mijn post en onderhandelt tot in het oneindige over mijn rekeningen. Je kent die postbode vast wel. Anton is de vader van Nico. Een echte post zak. Hij was jaren ‘bondscoach’ bij het eerste elftal in Katwijk. Ik ben blij dat ik niet van voetbal houd,” kwaakt de tandarts. “Nou en of ik die ken. Dat is me toch een LAST-post!”, retourneer ik.

De veiling bracht niet het gewenste gouden koffertje. Ik heb het notabene zelf verprutst”, bekent de tandarts. “Ik had hem bijna verkocht, ware het niet dat ik mee ging bieden toen ‘Charlie’ ter tafel kwam. Ik heb daarbij mijn hand overspeeld. Charlie bleek van onschatbare waarde.”, saldeert de tandarts.

Nico G. was een voetbalmaatje en collega van mij. Nico had ook een dubbele naam. Op de interne post enveloppen stond altijd: K.G. Heel verwarrend. Ik vroeg waar die ‘Kaa’ voor stond. Die stond voor ‘Klaas’, zei hij. Dus is je roepnaam ‘Nico’? Ja, klinkt heel logisch als je het zo uitlegt. Was jouw vader gelieerd aan St. Nico-klaas? Nee hoor, maar het was wel een zak. Nico kreeg vaak de zwarte piet toegeschoven en stond vaak links binnen in de dug-out.

De 3e ronde is de dag van de ‘kroon’ing. Deze verliep zo snel, dat je je in een Republiek waant. Het gebittenbedrijf is een samenstelling van volwassen personen die gevraagd en ongevraagd altijd bereid is om je van allerlei adviezen  te voorzien. Met een stralende lach verlaat ik tot tevredenheid van de tandarts weer voor 6 maanden de behandelkamer.

Ik heb iets in gedachten en loop nog eventjes de koopjeshoek in. Ik zie daar die antieke voetbalschoenen nog steeds liggen. Er hangt een kaartje aan: Geef  €25,- voor Sjakies wondersloffen en ze zijn van jou! Katwijk seizoen ‘30-‘32. Misschien valt er nog een poets te bakken richting ‘de bondscoach’. Ik vraag aan de tandarts of ‘Charlie V’ veertien dagen bij mij mag logeren. “Hij moet volgende week nog wel een keer naar de chiropractor in verband met zijn ribblessure”, thuiszorgt de tandarts. Ik neem Charlie achterop de fiets mee naar huis.

Thuis trek ik ‘Charlie alias Sjakie’ het oude uitshirt van mijn voetbalclub aan. De wondersloffen van ‘Sjakie’ doe ik aan zijn voeten. Ik constateer aan de rechtervoet zelfs nog een dubbele enkel breuk. Precies zoals ik die ooit  opgelopen heb. Zonder omhaal gewoon van achter neergesabeld door een lokale boer. “Niet te Hardeman, J.!” ‘Sjaak’ hield zich groot en gaf geen krimp.

Op zaterdagavond tegen zonsondergang posteer ik ‘Shakie’, in de dug-out voor de gasten, op het hoofdveld. Ik hang hem een bordje om de nek met daarop de tekst: ‘Het vermorste talent’ seizoen ‘81-’82, Katwijk, 1e elftal.

Reuter zal met een scoop komen. Wie was deze vergeten speler? Wie speelde er op de ‘brekers positie’ met nr.8? Wie voetbalde er op zulke wondersloffen?

Ik ikikikickickic kick,  Gooooaaaaalllll

Deze voetballer veroorzaakte door zijn val buiten het spel een enorme rel

De woordenwisseling die ik toentertijd met de Anton Gleuf had, kwam mij duur te staan. De bondscoach degradeerde mij tot vaste bankzitter in de dug-out. De postbode die in zijn beleving de ‘bondscoach’ van het 1e elftal was, genoot er van om mij zo te adresseren. (Een soort van ‘Penalty’ dus. Ik noem het gewoon strafporto.) Al zijn frustraties vonden zo hun weg in ons ‘verenigingsleven’. Als ik het niet had kunnen voorkomen, dan was deze schizoïde figuur nu ook nog voorzitter van onze club F.C. Katwijk geweest.

Eind 1982 verscheen er een journaliste van de krant bij mij aan de deur. Ik werd uitgenodigd om als jongste bediende op de redactie te komen werken. Eerst een jaar in de bezorging. Later werd ik ook ingezet bij het ophalen van de krant als ze gelezen waren om de kas van de voetbalvereniging te spekken. Toen dat allemaal goed ging kreeg ik een eigen taak. Ik mocht de krullen wegen van de redactrice en ben toen nog heel lang gebleven.

Einde—

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.