Bloed-link(ed)

Een anekdote over verwantschap

What’s in a Name?

 

 Een roos geurt nog even fijn,

             ook als zij anders had geheten.

 

 Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

Het is 05.00 uur in de ochtend. Ik ga de bakkerij van mijn droom binnen. De bakker is aan het werk: ”Kan ik u helpen?” “Zijn die gebakjes van vandaag?”, kneed ik. “Nee”, zegt de bakker. “Die zijn 2 jaar oud”. “Doet u mij er dan maar drie van”, bakplaat ik. “Meteen opeten?”, vraagt de bakker. “Kunt u ze ook thuis bezorgen?” bakfiets ik. “Krantje erbij doen?”, plaagt de bakker.

Opeens hoor ik in de verte een vrouw gillen. “Land?..Strand?..Brand?..Krant!!” Ik schrik wakker en sta in één zwaai naast mijn bed. “Er is weer geen krant bezorgd”, foetert mijn vrouw. Als ware zij de dorpsomroepster. “Misschien was er vandaag helemaal geen nieuws te melden. Er moet wel iets te berichten zijn”, redacteur ik. “Zonder jouw verhalen wordt het ook wel saai”, ganzenveert mijn vrouw. “We kunnen het beste het nieuws zelf schrijven”, fake ik.

Na een verkwikkende douche zit ik aan het ontbijt. Terwijl ik mijn eitje tik, wil ik iets vertellen. Ik kan niet op de naam van de betreffende plant komen. Hoe ik mijn best ook doe. Ik zie namelijk dat deze plant al knoppen heeft gevormd en wil vertellen om welke plant het gaat. Ik geef een schot voor de boeg. “Die Hamamelis”. “Je bedoelt die blauwe regen”, zegt mijn vrouw. “Nee, die naast de heide”, duid ik. “Bij de schuur, bedoel je die soms?”, raadt mijn vrouw. “Nee, verdorie, die plant met dat mooie blad”, wanhoop ik. “Die roos dan”, troost mijn vrouw.

Ik kom er niet uit en denk na. Nog een keer dan: “Die mooie struik die achter het huis staat. Die mijn zwager Steve altijd zo goed kan snoeien”. “Oh, die. Dat is de Hortensia. Zo moeilijk is dat toch niet!” “Hè, hè, dank je wel”, zeg ik. In de weeromstuit sla ik zo hard op mijn eitje, dat het ei struif eruit gutst. Ik ben nu al bekaf. De dag moet nog beginnen.

Ik ga de hond maar uitlaten. Water…check, Koekjes…check, Telefoon…check, Sleutels…check, Zakdoek…check, Pet…check, Handschoenen…check, Geld…cheque.

Ik loop naar het hek. Doe het weer achter me op slot. Ik loop het bos in. Een eindje verderop zie ik een vrouwspersoon op me af komen rennen. Maar dat is mijn vrouw. Als ze bij me is, gromt ze of de hond ook mee mag. “Als ze doorloopt wel”, blaf ik terug. Ik vraag of ze het gas wel heeft uitgedaan. “Waarom”, vraagt ze. “Jij zou toch koken vandaag?”

Mijn voorspellende droom komt die middag uit. Er wordt een doos gebak bij ons thuis bezorgd. “Heb jij die besteld?”, vraagt mijn vrouw. “Ik ontken alles”, zeg ik. Even later wordt de ochtendkrant nabezorgd. “Ze moeten die krant een andere kop geven”, roep ik. “Het late nieuws”, typografeer ik.

Ik zie in de rubriek van familieberichten dat onze familie een tweeling rijker is geworden. Daar was natuurlijk het wachten op. Voordat de krant sloot en vrij gegeven werd om te drukken. Er komt een Mini Morris de dam opscheuren. De oudste dochter komt het ouderlijk nest binnen vliegen. “Heb je het al gehoord?”, hijgt ze. “Ja, ik heb net een familie berichtje ontvangen”, bevestig ik.

Jasper en Joris  heten de jongens. Ze trekt er een scheef gezicht bij. “Wat een zoete namen”, zegt ze. Ik geit terug: ‘Fokke & Sukke’ is ook heel populair”. Zij overbiedt me met: ‘Joris en Floris’. “Voor een beetje stoere naam kom je al snel uit op ‘Rob’, ‘Kapitein Rob’, Zware van Nelle en zo”, vader ik. “Nou even serieus, wat vind jij een mooie naam?”, zegt ze. “Nee, het zijn hun kinderen. Waarschijnlijk hebben ze lang over de namen nagedacht”, bemiddel ik. “Wat vind jij een mooi naam!”, dringt mijn dochter aan. Alsof ik onder schot gehouden wordt. Ik steek mijn handen in de lucht en roep: “Sandra”. “Dat is toch geen naam voor een jongen!”, zegt ze. “Dat klopt. Maar jij vroeg wat ik een mooie naam vond”. Zegt mijn dochter: “Lul”.

Dat zeg ik toch: “Fokke & Sukke”.

Einde—