Vuurwerk

Een anekdote over ‘space’

 ‘Waar zijn de taarten?’

 ‘Dat is toch al te gaar…

 

 Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

 Mijn vrouw is een liefhebster van ‘Heel Holland Bakt’. Ze zeurt al enige tijd over een kookeiland om goed te kunnen bakken. Als die deelnemers nou met z’n allen naar een onbewoond eiland zouden gaan, had ik er nog wel aan mee willen werken.

Na weer een uitzending verorberd te hebben, heeft mijn vrouw een recept van ‘Maroeska’, de meester-bakker van deze week, te pakken. Oude tijden herleven. Ik krijg spontaan een herinnering aan een andere keukenprinses uit mijn jeugd.

Het speelt zich af rond oudejaarsdag van het jaar 1974. Ik zie mijn moeder in een wijde, oranjekleurige, bhagwan, bloemetjesjurk door de keuken dwalen. Ze rookt een jointje om in de juiste bakstemming te komen. Ritmisch slaat ze op een bakblik. Ze wil ons die avond trakteren op een spacecake. Ze wil het oude jaar op haar eigen wijze uitluiden. Ik houd meer van andersoortig vuurwerk, raketten of voetzoekers, kan ook een mooie kerstbomenbrand zijn.

Terwijl ze bezig is, zegt ze tegen mij: ”Wil jij nog even wat poedersuiker halen in het dorp?” Ze maakt daarbij wat wufte bewegingen à la Penny de Jager. Ze draait daarbij het hoofd, met die lange haren in het rond. Ik voel haar woorden in mijn hoofd mixen en zeg als een echte puber: “Ja duhh, dat geven ze nooit mee in die koffieshop”. “Nee, suffie, ik bedoel echte poedersuiker!

Hier heb je mijn boekje met koopzegels. Daar kan je wel mee betalen. By the way, geef deze gedroogde cannabis even aan het bakkersvrouwtje Rachel. Ze weet ervan. Ga maar gauw!” Ik spring op mijn fiets en ga direct weer op mijn bek. Het is glad buiten. Ik probeer nog onder de opdracht uit te komen en grap tegen moeder dat ze toch gewoon de poederblusser uit de auto kan gebruiken om de cake af te blussen.

Voor ik het weet, ben ik al onderweg. Het is al donker en behoorlijk onrustig op straat. Ik parkeer mijn fiets tegen de enige gas(t)lantaarn van het dorp, vlakbij de winkel. Ik doe snel mijn boodschappen.

Ik krijg van Rachel een zak met oliebollen mee als dank voor de hasjiesj. Met de poedersuikerbus nog in mijn andere hand wil ik op mijn fiets stappen. De fiets is echter niet in beweging te krijgen. Ik kijk nog eens goed. Ik weet zeker dat ik hem niet op slot heb gedaan toen ik de winkel in ging. Er zit immers geen slot op! Ik zie dat ze de fiets met het dichte framegedeelte over de gas(t)lantaarn hebben getild.

Het lijkt wel een tafereeltje van M.C. Escher. Knap werk! Die  fiets wordt voorlopig niet gejat, zullen ze gedacht hebben. Maar ik kende die fiets. Het betrof hier de vermiste fiets van de locoburgemeester! Hij had een stijf been en reed op zo’n aangepaste fiets rond. Het crankstel van het pedalenhuis bewoog eenzijdig. Dit was dus zijn fiets. Gelukkig maar. Hoewel het jaar bijna ten einde was, vond ik het toch wel een hele mooie ‘afsluiter’. Deze man hield zijn poot altijd stijf tijdens de moeizame onderhandelingen met de jeugd die ijverde voor een hangplek naast de woning van de burgemeester.

Mijn brikkie vond ik een eindje verderop met verwrongen wielen in de struiken. Dat viel dus alleszins weer mee. Ook was de verlichting er vanaf getrapt. Als ik mijn leeftijdgenoten nog zou tegenkomen, zou ik uitleggen dat er ook andere middelen bestaan om verlicht te raken. Zelfs zonder alcohol. Ik wilde omwille van de verkeersveiligheid niet zonder licht naar huis terugrijden dus dacht ik even diep na. Op mijn leeftijd viel dat eigenlijk wel tegen.

Gelukkig bracht oom Ton uitkomst. Ik mocht in het café aan de overkant van de straat gebruik maken van zijn telefoon. Ik belde moeder en vertelde dat ik een lekke band had. Ze vroeg of ik niet gewoon op die lekke band naar huis kon fietsen. Ik vertelde haar dat het allemaal iets gecompliceerder lag. Zij vond het maar een slap verhaal. Ze vertelde dat ze de spacecake net in de oven had staan. Zodoende had ze wel even tijd om mij, met de Cadillac van mijn vader, bij het café op te halen.

Deze afgeschreven zwarte lijkwagen van mijn vader wordt zelfs in het donker nog herkend. Waarschijnlijk omdat een normaal mens dit niet verwacht. Ze werden vaak staande gehouden door mensen die al behoorlijk levensmoe waren maar ook velen die gewoon tot hun vriendenkring behoorden. Dit keer was het een vriendin van mijn moeder. Er ontstond een levendig gesprek aangaande het overlijden van haar vader. De hele levensgeschiedenis wordt doorgenomen. Het lijkt wel een eeuw te duren. Bla, bla, bla… Zoals ik het begreep, is ‘Vader’ toch nog op 99 jarige leeftijd overleden. Hij was dus niet in zijn wiegje gesmoord.

Plotseling horen we overal brandweer sirenes. Wat op zich op zo’n dag als vandaag niet zo vreemd is. Kerstboompje, Vuurwerk, gillende keukenmmeidd… Mmmaaa, je spacecake roep ik. “Die zal nu wel goed doorbakken zijn”, ontkurk ik. Ze breekt snel haar gesprek af. Met piepende banden rijdt ze volgas weg en ik maar denken dat dit soort auto’s altijd stapvoets rijdt. Het ligt er kennelijk maar aan voor welke oven je aan het werk bent.

Als we het dorp uitrijden zien we in de verte heel veel blauwe zwaailichten. Er komt een penetrante hasjlucht door het rooster van de auto binnen. Langs de kant van de weg zien we meisjes op de klompen in de richting van de brand rennen. Ras, ras, ras gaat het.

Ik draai het raampje van de auto een beetje omlaag en hoor weldra een aantal brandweerlieden zingen. Ze lopen gearmd en houden ieder, in de hand die vrij is, een emmertje vast. Ze lijken wel stoned. Ze zingen: “Twee emmertjes water halen, twee emmertjes pompen. De meisjes op de klompen…”

Een ander die kennelijk een slechte trip heeft, staat tegen een voorbijganger te meieren: “Zeg ken jij de mosselman, de mosselman, de mosselman? Hij komt uit Scheveningen….” Van je ras, ras, ras gaat het weer. Links aan de kant van de weg zie ik een brandweerman languit in een plas liggen.

Wat een toestand”, roept moeder. Zij stapt uit en gaat polshoogte nemen. Als ze terugkomt, zegt ze dat we die cake maar moeten vergeten al, zou je dat niet wensen. Maar wat er nu toch in alle ‘space’ is ontstaan kan zij niet verklaren.

De woning wordt tot een onbewoonbaar eiland verklaard. We worden ondergebracht in de pastorie van de Kerk.

Dan schelt ineens onze voordeurbel. Ik ontwaak uit mijn dagdroom. Ik open de voordeur. Het is mijnheer Pastoor. Hij zegt dat hij door de straat aan het fietsen was en er een onweerstaanbare geur in zijn neus vloog. Die geur komt volgens zijn zeggen uit onze keuken. “Zit ik er ver naast?”, suikert hij. Ik begeleid hem naar de keuken.

Hij begroet mijn vrouw en zegt: “Ik weet dat je het moeilijk vindt om van je verslaving af te komen. Vertel eens, wat ben je in hemelsnaam aan het doen?  Waar komt dat goddelijke aroma vandaan?”

Mijn vrouw opent de klep van haar oven om haar baksel eruit te halen. Zegt ze:

 “Een heerlijke chocolade ganache

 

Einde—

 

 

Geef een reactie