Een Vriend

Een anekdote over het buurjongetje.

 

 ‘Zonder gezelschap

is geluk

onmogelijk’

 

 Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

 Ons buurjongetje van 6 jaar vraagt altijd of wij een bezoekje willen. Hij trekt hierbij een gezicht dat vrouwen doet smelten. Zo ook mijn vrouw. Hij weet zijn bezoek altijd zo te plannen dat hij toch nog een boterhammetje mee kan pikken. Als je niet oplet dan ben je binnen de kortste keren door je snoeptomaatjes heen. Als het buurjongetje aan tafel schuift, zeg ik tegen het schaaltje tomaatjes: “Kijk uit daar heb je Manus! Ik zet het schaaltje snel achter een melkpak. Als zijn grootste honger gestild is, pak ik drie snoeptomaatjes en leg die op zijn bord.

Als we gegeten hebben doe ik meestal een klusje met het buurjongetje. Ik houd er al rekening mee als het weekeind nadert. Ik heb de ervaring dat wanneer ik geen activiteit op het programma heb. Hij er zelf een verzint. De voorraadkast wordt dan op alle eetbare dingen gecheckt. Meneer doet zich dan tegoed aan limonade, chocolade, drop, koek en alles wat veel suikers bevat. Dit tot afgrijzen van zijn moeder.

Het buurjongetje mag meehelpen in de tuin. Wij hebben de traditie om vier bloembakken met geraniums aan het tuinhek te hangen. Ons buurjongetje mag daarbij helpen. Ik heb mijn petje dwars op mijn hoofd gezet. Het buurjongetje trekt een grimas en lacht naar mijn vrouw. “Gekke buurman”, kraait hij.

Ik zeg tegen het buurjongetje dat ik heel lang naar ‘deze pet’ heb gezocht. Bij de gewone pettenwinkel hadden ze deze niet. Ik vond hem uiteindelijk in de ‘scheve’ pettenwinkel. De buurjongen knijpt zijn ogen bijna dicht en zegt: “Dat kan toch niet!”

We maken 4 bakken met ieder drie geraniums. Ik geef het buurjongetje de opdracht om de witte in het midden te zetten, de rode rechts en de roze links van de witte. We zorgen ervoor dat alle bakken gelijk zijn. Het buurjongetje mag met de tuinslag de planten water geven.

Als het klaar is kijken we, van binnen door het keukenraam naar buiten. Daar hangen de plantenbakken met de drie kleurige geraniums in de zon te pronken.

Ik zeg tegen het buurjongetje dat ik altijd de bloemengroet breng aan het begin van het zomerseizoen.

Ik ga daarbij op één been staan en breng een saluut met twee vingers aan mijn ‘scheve’ petje. Het buurjongetje gaat naast mij staan en doet hetzelfde.

Manus vind het nu wel genoeg. Hij heeft honger. Ik vind het de hoogste tijd voor een  ‘verrassing-ei’.  Daar is hij gek op. Dan kan hij zo dadelijk weer naar zijn moeder.

Einde—