Goedgelovig

Een anekdote over ‘bedrog’.

‘De Mens is

het enige Zoogdier dat

meer dan eens

gevild kan worden’

 

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

 Op verjaardagen wordt er altijd een substantieel deel van de tijd verkwist aan het ouwehoeren over auto’s. Familie en schoonfamilie besteden veel geld, laat ik zeggen héél véél geld, aan de ‘heilige koe’. Men zegt dat het een keuze is. Ik vind het meer een beproeving.

Door alle toegenomen snufjes is de auto veel veiliger,” zegt men, vanachter de tekentafel. Nu kunnen we nog harder, en korter op de bumper van onze voorligger (aan)rijden. Soms gaat er wel eens iets kapot. Zoals bij de auto van mijn buurman het geval is. Een lampje vervangen is al een hele tour.

Met moeite kan ik mijn buurman ertoe bewegen zijn kapotte achterlicht te repareren. Buurman zegt: “Waar maak jij je druk om?” Ik zeg: “Omdat JIJ mijn buurman bent, en IK geen zin heb om met een schaaltje zacht fruit bij jou aan je bed in het hospitaal te moeten verschijnen. En omdat je niet zichtbaar zou zijn in het verkeer. Dat is waar ik me druk om maak!”

We raken aan de praat na deze openingszin.

Zijn auto, een Volkswagen station, is 20 jaar oud. Als je met die diesel remt dan moet je er een paar ankers bijgooien om op tijd stil te staan. Het overgrote deel van het wagenpark heeft een remweg dat 50% korter is dan zijn karretje. “Maar de auto wordt nog steeds goedgekeurd” stribbelt de buurman tegen. Ik zeg: ”Volgens mij heeft dat meer te maken met de bedreigde auto-industrie.”

Die vervuiling moet toch ergens vandaan komen! Zolang er nog geld aan jouw auto te verdienen valt, wordt dit sterfhuis in stand gehouden.” Het is een onbeheersbare ziekte. Uiteindelijk zullen we hier net zo eindigen als op de planeet mars, waar we volgens mij ooit eens vandaan zijn gekomen. Daar helpt geen antidepressiva aan. “Misschien een milieu neutraal gestookt borreltje?” suggereer ik. Mijn buurman geeft geen krimp. Hij is geen type voor ‘korte drank’ vermoed ik.

Op zondag wordt ‘onze auto’ uit de garage geduwd. Na het aanslingeren van onze Oldtimer, volgt een ritje over des Heeren wegen. Af en toe maken we een tussenstop om wat ‘leeftocht’ tot ons te nemen. Na wat geflaneerd te hebben, keren we tegen zonsondergang huiswaarts.

Die avond trakteren we ons op het opgenomen Tv-programma: ‘De slimste mens’. “Ik snap niets van dit programma,” zeg ik tegen mijn vrouw.

Na een kwartier val ik lichtelijk in slaap en lig ik een beetje aan mijn aquarium te likken. “Wat een modderkruipers zijn dat daar bij die televisie,” denk ik. Ik dommel, onder het geluid van de televisie, in een diepe slaap.

De dag trekt aan me voorbij. Ik droom dat ik met mijn auto wordt aangehouden. Niet vanwege de snelheid. De Oldtimer is uit 1906 en van het merk Spijker. Haar topsnelheid ligt rond de 48 km/h.

Plotseling blokkeert een veldwachter met zijn fiets de doorgang van de weg.

Ik krijg een stopteken. Door de enorme herrie kan ik de veldwachter niet verstaan. Hij staat te gebaren alsof er een vliegtuig binnengeloodst moet worden. Ik vraag of hij een lift wil. “U krijgt een bekeuring,” briest hij.

Vanwege een kapotte knalpot?” “Bent U waterdicht” vraag ik.

Op dat moment word ik wakker omdat ik naar de WC moet. Ik kijk naast me en zie dat mijn vrouw ook in slaap gevallen is. De televisie staat op het testbeeld. Het is al 03.00 uur in de nacht.

Het is dinsdagavond, mijn vaste Snooker avond. Doorgaans speel ik met nog twee vrienden. We spelen totdat we het ’paard’ hebben leeggedronken.

Maar met die moderne machines van vandaag de dag kan dat heel lang duren! Na een paar potjes gespeeld te hebben, maakt een vriend de opmerking dat er bij de Triumph dealer een leuk sportautootje wordt aangeboden. Het is altijd onze wens geweest om samen een sportautootje te bezitten.

We spreken met elkaar af om op donderdagochtend te gaan kijken. We maken een testritje en besluiten de Triumph te kopen. We betreden opnieuw het kantoortje van de dealer. Alle papieren worden in orde gemaakt. We willen contant betalen met Britse ponden. Zo gaat dat, als je een Engelse auto koopt.

Hoeveel moeten we per persoon betalen?” vraag ik. “Die rekensom kan ik zo voor U maken,” zegt de verkoper. “Gaat U zitten.” Hij haalt een platvinkje en vier borrelglaasjes tevoorschijn. “U hebt een volledige vergunning,” zeg ik. “Ja,” zegt de verkoper. “Mijn ouders hebben vroeger nog een brandstoffenhandel gehad, vandaar.” Hij schenkt de glaasjes uit.

We toasten op de aankoop. “Getverdemme, wat een smerig spulletje is dat. Het lijkt wel remolie!”

De man begint te schrijven:” 2400 pond delen door 3. Dat is 1 maal 3.

Dus 24 minus 3 is 21. Dit gedeeld door 3 is 7. Met twee nullen erachter maakt 1700 pond de man.” We betalen ieder ons aandeel en verlaten de zaak.

In de auto begint één van mijn vrienden te twijfelen.

Laten we naar Apeldoorn gaan,” zeg ik. “Daar heb ik nog kennis aan een boekhouder uit militaire dienst. ‘Hij’ kan het vast voor ons narekenen!“

We rijden naar Apeldoorn. De boekhouder is inmiddels 95 jaar oud, maar nog goed bij zijn verstand.

Ik schreeuw tegen hem: “Kent U mij nog!” Hij zegt: ”Je hoeft niet zo te schreeuwen! Ik ben niet doof! Ik zal de muziek wat zachter zetten. “Een ogenblik.” Ik zeg: ”Ik ben het.” “Ja, dat zie ik ook wel,” zegt de oude baas.

Jij bent toch die dienstplichtig soldaat uit KL79? Ik heb daar nog jaren nadien smakelijk om gelachen!”

Kom erin. Wat heb je op je lever?” Ik vertel hem het hele verhaal.

De oude baas vouwt een oud schoolbord open dat aan de muur hangt. De rekensom uit 1979 aangaande mijn wedde staat nog steeds links op het bord. Hij schrijft de bedragen, met daarachter onze voornamen, onder elkaar op het bord. Daarna begint hij hardop te tellen. “0 plus 0 plus 0 is nul.” Tweede rij: “0 plus 0 plus 0 is nul.” Nu de derde rij: “7 plus 7 plus 7 is 21.” “Met de eerste rij erbij wordt het 21 plus 1 is 22 plus 1 is 23 plus 1 is 24.

De hele som samen is 2400 pond!”

Ik overleg het koopcontract van de Triumph. Hij vergelijkt het bedrag.

“Zie je nou wel, het klopt precies!”

“Het enige rare van de hele geschiedenis,” zeg ik op de terugweg in de auto, “Die verkoper en de boekhouder heten allebei Fox van hun achternaam.”

Je zoekt er weer van alles achter.” “Niet alles is, wat het lijkt!” zegt een van mijn maten. Tevreden keren we huiswaarts.

Einde—