‘Van een kleine vonk komt vaak een groot vuur’

Een anekdote over de brommer dat het nooit deed.

Vooruitgang

 Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

 Als jochie van 13 jaar vond ik een echte Berini bij het grof vuil. Het was een hoopje schroot. Toch installeerde ik hem als mijn 1e brommer!

Ik ben bijna twee jaar in het kleine schuurtje bezig geweest om de brommer op te knappen. Alles uit elkaar, schoonmaken, poetsen, polijsten, verven, enzovoorts.

Hij kwam weer tot leven. De vrijheid lonkte. Ik wilde niet meer van de bus afhankelijk zijn. Ik zou mijn blik meer buiten de busdienstregeling kunnen richten. Toen ik hem probeerde te starten, bleek al snel waarom de vorige eigenaar afstand van de brommer had gedaan. De lichtspoel was kapot. Ook ik kende geen smid in dit land die dit spoeltje maken kon. Je voelde aan de brommer dat het veel had meegemaakt. Het had een zwaar leven achter de rug. Dat had ook wel weer wat.

Ik stalde hem in het schuurtje, waar het verder van zijn oude dag kon genieten. De fiets van mijn vader had ik, om wat ruimte voor de brommer te creëren, in het houthok naast het schuurtje gezet. Zo stond hij veilig en droog.

Als het mooi weer was, stond de brommer op de stoep voor het huis te glimmen in de zon. De mensen vonden het een waanzinnig, mooi ding. “Rijd je er ook op?”, vroegen ze. “Nee, dat mag ik nog niet”, antwoordde ik.

Ik poetste wekelijks de ei-tank van de brommer. Dat mooie tankje leek onderhand meer op de wonderlamp van Aladin. Als de geest van de brommer aan me zou verschijnen, dan mocht ik toch zeker 3 wensen doen. Ik poetste dus nog een tijdje door.

Terwijl ik aan het poetsen was, zat ik daar veel over na te denken. Wat zou ik mezelf wensen? Mijn eerste wens: Dat ik een enorm goede voetballer zou zijn. Dat was ik al. Dus dat kon ik mezelf niet wensen.

De voetbaltrainer had me, tijdens de vorige wedstrijd, naast hem op de bank gezet. Ik heb hem nog geprobeerd het spel uit te leggen. We konden het maar niet eens worden. Mijn conclusie was: ‘Ik aan kop en hij in het ballenhok.’

Wat eraan voorafging was het volgende. Als rechtsback belandde ik na enkele fraaie solo’s in de spitspositie. De trainer stond langs de lijn te brullen: ‘Wat ik daar aan het doen was?!’ Deze man met het verstand van een krentenbrood kreeg van mij als antwoord: “Ik ben aan het voetballen! Oen, zie je dat dan niet!”, schreeuwde ik terug.

Na deze woordenwisseling werd ik door de trainer van het veld gehaald. Ik kreeg de lachers op mijn hand toen ik applaudisseerde voor de trainer. Het publiek bracht mij nog een staande ovatie. Mijn bijdrage zat er voor die zaterdag als veldspeler op.

De wedstrijd kapseisde. De trainer liep door deze actie op een ijsberg. Het publiek was getuige van deze kardinale blunder. Vooruitlopend op een dramatische afloop hief het publiek klaaglijke liederen aan.

Door het gemis van mijn doorgaans briljant voetenwerk werd de 2-0 voorsprong binnen een half uur, mede door een paar eigen doelpunten, in een 2-3 achterstand omgebogen. Al krakend ging de thuisploeg ten onder. De wedstrijd werd die dag door ons met 2-6 verloren. Chapeau!

Het is een typisch Nederlandse manier van doen door te denken dat je ‘talent’ eerst moet breken, alvorens je kampioen kan worden. Het ‘kampioen elftal’ zakte iedere week één plaats op de ranglijst. Mijn plezier in het spelletje was verdwenen. Ik was steeds vaker in gedachten bij mijn vrienden die zich met hun brommers, onder de vrijheidsboom, in het centrum van het dorp verzamelden.

Mijn tweede wens: Dat ik niet uitgenodigd zou worden voor een toertocht.

Ik stond al maanden in het dorp de blits te maken. Jammer dat de brommer het niet meer deed. Alleen het brommertje en ik wisten hiervan! Ik zou voor gaas gaan als het uit zou komen. Als er dan toch een toertocht georganiseerd zou worden, dan moest ik er toch mee weg zien te komen. Ik zou mijn vrienden bedanken voor de uitnodiging. Ik zou als uitvlucht mijn leeftijd moeten opbiechten. Ik zou zeggen dat ik nog niet bevoegd was om met de brommer op de openbare weg te rijden.

Als ik in het dorp was, stond ik steeds vaker op te scheppen over de Amerikaan van mijn oudste broer Hendrik. Deze ‘hobby auto’ reed hoogstens 1 meter naar voren of 2 meter naar achteren om er een krik onder te kunnen plaatsen. Die auto deed het ook niet, ook nooit gedaan trouwens. Dit vlaggenschip stond voor ons ouderlijk huis de weg te versperren. Tegelijkertijd was het in rap tempo aan het verroesten. Als je een portier wilde openen, kon het zomaar gebeuren dat je alleen met een deurgreep in je hand bleef staan. En als je niet uitkeek, kreeg je ook nog dat zelfde portier op je poten.

Op de dagen dat mijn moeder het huis aan het poetsen was, werd opa met zijn pijp en al op het bankje voor het huis afgemeerd. Hij deed ook niets in het huishouden, nooit gedaan ook trouwens. Als moeder het huis schoon had, werd opa weer naar binnen gehengeld.

Als mijn broer wederom gesleuteld had, moest het wrak weer eens aangeduwd worden. “Om de accu te sparen”, zei hij. “Die was gewoon kapot”, protesteerde ik. “Hij had ‘een auto’ en ik slechts een brommertje dus moest ik volgens hem wijselijk mijn waffel houden.”

Mijn broer stelde ons een gratis ritje in zijn prachtige Oldsmobile in het vooruitzicht. De halve buurt inclusief mijn moeder, met haar krulspelden nog in het haar, hingen tegen de kofferbak aan. Iedereen zette zich schrap. Op zijn teken moesten we met volle kracht onze ledematen strekken!

Toen we na een kwartier duwen volledig kapot waren en over het tuinhek lagen uit te hijgen, kwam Hendrik tot de ontdekking dat hij de handrem er op had laten staan. Een aantal helpers was al spontaan door het plaatwerk van de kofferbak gegaan. Alles wat los was geschoten van de auto deponeerde we op de achterbank. Het leek alsof die slee aan de achterzijde al een halve meter korter was geworden. “Misschien moeten we aan de zijkant duwen dan kan het verkeer er ook weer door”, zei ik.

De Amerikaan was zo rot als een mispel. Mijn broer stond er beteuterd bij te kijken. Een tweede poging zat er die dag niet meer in.

Dit voertuig heb ik nooit meer zien rijden. Ja, één keer heb ik het wel gezien. Maar niet op eigen kracht. Toen deze ‘Oldsmobile’ hangend aan een sleepkabel, onder escorte van een zooitje brommers naar de sloop werd gebracht, reed hij als de brandweer.

Nee, dan had mijn brommer toch meer allure!

Mijn derde wens: Om een nieuwe brommer te kunnen kopen, moest ik over meer geld beschikken.

Een maand nadat ik uit het voetbalteam verwijderd was, kwam er een verslaggever van het Parool aan de deur. Hij vroeg zich af waarom een dergelijk jong talent, wijzend in mijn richting, van het voetbaltoneel was verdwenen. Hij wilde graag mijn kant van het verhaal horen.

De reden waarom ik met voetbal stopte was gelegen in het feit dat ik me meer op het schrijvers vak wilde richten. Om achter mijn verhalen aan te kunnen jagen, ontbrak het me aan een goede brommer. Hij zei dat hij me wel als krantenbezorger bij het Stadsblad kon voordragen. “Krijg ik er een bromfiets bij cadeau?”, vroeg ik. “Die droom je maar!” Dat was ook zo. Ik zou hem bij elkaar kunnen poenjakken met een krantenwijk. Ik dacht er een paar dagen over na en ging akkoord. Het bezorgloon was toen al ‘exorbitant’: fl 0,0185 per krant. Dan loop je lekker binnen of beter gezegd: ’buiten in weer en wind’.

Het Stadsblad was een huis-aan-huis blad dat niet zo goed ontvangen werd door de mensen. Ik deed de mensen het volgende voorstel: Ik zou er voor kunnen zorgdragen dat men de krant niet meer ontving. Ze moesten mij hiervoor wel iets extra’s betalen. Er ontstond een lijst met adressen van die mensen, die geen krant wensten te ontvangen. Zo had ik in ‘no time’ een wijk vol abonnees met ‘zonder’ krant. Het geld stroomde gestaag binnen.

Rond Oud en Nieuw kon je uit naam van de krant de deuren langs om een fooitje op te halen. Daarbij overhandigde je dan een Nieuwjaarswenskaart, die je vooraf bij het Stadsblad moest kopen. Ja, de slavernij was allang afgeschaft, maar hier was ze nog springlevend! Op veel adressen kreeg je voor die ongewenste krant, helemaal gratis en voor niets, een grote bek terug. “Proost!”, “Graag gedaan hoor!”, “Van hetzelfde!”, “U ook!”, “Dankuwel!”

De winst was dat je er een olifantshuid door kreeg!

Op een gegeven moment kwamen er van ‘die stickers’ op de brievenbus en droogte mijn extra inkomsten op. Ik ben toen met de bezorging gestopt of wat er van over was. Inmiddels had ik de gewenste schakelbrommer bij elkaar verdiend. Langs deze weg wil ik die mensen bedanken die indertijd substantieel hebben bijgedragen aan het verwerven van mijn nieuwe schakel brommer.

Ik droom nog weleens over deze periode van mijn leven. Als ik bijvoorbeeld met de bus onderweg ben naar Mijn Grootje in Den Helder dan dommel ik nog wel eens weg op het monotone gebrom en de warmte van de bus…

 

De bus stopt bij een bushalte. Er stapt een olifant in

De chauffeur zegt: “Dit is de eerste keer dat ik een olifant in de bus heb!”

“Ja”, zegt de olifant “en waarschijnlijk ook de laatste keer!”

“Waarom?” vraagt de chauffeur.

“Nou, morgen is mijn brommertje weer gemaakt!”  

 

Einde—

Eén gedachte over “‘Van een kleine vonk komt vaak een groot vuur’”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *