Een anekdote over verkeer(d)

Leestijd: 2 minuten

‘Onze eigen gebreken

ergeren ons het meest

bij anderen’

 

 Inlevingsvermogen

 

 Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

 Zijn er nog Neanderthalers?

Ja, bij ons in het dorp zijn ze er nog. Ze scheuren tegenwoordig in auto’s rond.

Als de fietser op de rijbaan rijdt en linksaf wilt slaan. Dan behoort de hand netjes uitgestoken te worden. Daarnaast zal de fietser duidelijk links op de rijbaan voorsorteren. Ten teken dat hij van richting zal gaan veranderen. Dan nog bestaat er een grote kans dat je van achteren aangereden wordt.

De schuldvraag is voor het achteropkomende verkeer altijd direct duidelijk. Aan het verbale geweld af te leiden maakt een fietser geen schijn van kans.

Het raampje van de achteropkomende auto gaat omlaag. Meestal een lease bak uit het hogere segment. De zweetlucht en sigarenrook van de automobilist verdrijft de frisse lucht uit mijn neusgaten. Terwijl ik het lijf van het plaveisel probeer op te richten is er geen hond die helpt. De bestuurder, die de veroorzaker van mijn valpartij is, komt zijn bolide niet uit! Ik bedenk me: “Ik had gewoon moeten blijven liggen totdat de hulpdiensten gearriveerd zouden zijn.”

De bestuurder roept naar me:”Hé eikel kan je niet uitkijken.” Hij probeert zijn onschuld hiermee te onderstrepen. Hij blijft gewoon met zijn iPhone in de weer. Als hij zijn iPhone neerlegt, zegt hij: “Rot nou eens op, ik heb haast!” Hij laat zijn auto een beetje steigeren. Omstanders zitten de bestuurder een beetje schaapachtig aan te kijken.

De bestuurder krijgt opnieuw een telefoontje en zit gewoon verder kantoor te houden in zijn auto. Ik laat mijn fiets voor zijn auto liggen en strompel naar deze man. Hij vertelt me dat hij dacht dat ik naar iemand zwaaide! “Verder dacht hij niets.”, zei hij. Deze uitleg verbaasde mij niet.

Ik informeer naar zijn naam. Die had hij niet zei hij. Misschien de naam van zijn ‘stam’ dan maar. Ik vraag me af of Neanderthalers al konden schrijven. De man had zo’n grote mond dat hij er dreigde zelf in te vallen. Het leek erop alsof hij zijn eerste ‘woordje’ ging zeggen. Ik onderbrak hem en zei dat ik het hem vergaf. Ik stelde voor om enkele beleefdheden uit te wisselen. Contant geld vond ik ook goed, vanwege de geleden schade.

Hij was alleen bereid tot een man tot man gevecht. Ik zei: “Als de prijs je vrouw is, wil ik er wel om dobbelen.” Dat vond ik meer bij hem passen. Zonder bier begon hij er niet aan. De spanning werd hem kennelijk te groot.

Enfin, Ik merk dat ik als fietsende automobilist tussen de neanderthalers kan verkeren. Men heeft een heel kort lontje. Wat ik verontrustend vind is: Dat de Neanderthaler nog springlevend is!

Ik vermoed dat ik de komende tijd niet zal doordringen tot het brein van de Neanderthaler. Daar gaat nog minstens een miljoen jaar overheen.

Ik heb er van geleerd dat die ‘klote fietsers’ erg kwetsbaar zijn in het verkeer. Samen lossen we dit wel op! Ik weer achter het stuur en de Neanderthaler gewoon weer te voet, net als vroeger. Waarbij zijn vrouw hem aan de haren voortsleept.

Einde—