Een anekdote over apies kijken

Leestijd: 6 minuten

‘Vriendschap geeft ogen aan

de afstand en een stem

aan de stilte’

 

In heel Europa is er niemand zoals hij

 Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

 Het is 13 december 1966. Mijn opa wil met mij een dagje naar Artis. “Dan zie je de familie ook nog eens een keertje”, zei opa. Ik weet waar ik mijn humor vandaan heb. Mijn Grootje draaide ook alles om. Al waren dat meer haar spaarcenten.

Deze bonus-opa is aan mijn Grootje blijven plakken toen zij haar DE koffiepunten kwam inleveren op de Dapperstraat in Amsterdam. Hij heette ook nog ‘Douwe’. Dat is toch hilarisch! We hebben nog in het geschenkenboek van DE gekeken. Daar werd hij toch echt niet in genoemd. Alleen in het trouwboekje van mijn Grootje. Daar staat hij vermeld als haar 2e echtgenoot.

Vanuit Den Helder gaan we met de trein naar Amsterdam. Om bij Artis te komen, kunnen we van achter het Centraal Station de tram of het bootje van Lovers nemen. Ik stel voor om met dat open bootje van Lovers gaan. Opa zegt dat hij niet meer zo goed kan zwemmen. Ik leg hem uit dat we in de boot zullen zitten en niet voorop hoeven te zwemmen.

“Kijk, er formeren zich donkere regenwolken boven ons hoofd”, zegt opa. Hij duidt met zijn stok in de lucht. “Het kan ieder moment gaan regenen. Ik heb vanmorgen nog mijn haar gewassen en wil niet dat het nat wordt”. Mijn opa is zo kaal als een luis! Wat nou haar? Als hij het nou over zijn enorme snor had. Dan had ik hem nog wel kunnen geloven.

Bij de tramhalte staat een vader met zijn kinderen te wachten. We tellen er 12 in totaal. Ze zijn ook nog hetzelfde gekleed. Allemaal zijn ze voorzien van hetzelfde Joodse brilletje. 24 prikoogjes staren ons aan. Als de tram stopt, verdwijnen de kinderen als een troep kuikens naar binnen op zoek naar een zitplaats. Als wij zijn ingestapt, is er geen plaats meer vrij voor ons.

Opa, leunend op zijn stok en zoekend naar wat evenwicht, blijft noodgedwongen in het gangpad staan. Ik heb me vastgepakt aan een broekspijp van zijn pantalon. De tram maakt flink vaart. We worden flink door elkaar geschud. Bij iedere bocht word ik gejonast. Doordat de pantalon van opa is opgehangen aan een stel bretels dat over zijn schouders hangt, ontstaat er een elastiek effect dat ik alleen van het circus ken.

Opeens moet de trambestuurder flink remmen voor een overstekende non die een kinderwagen voor zich uitduwt. Al rinkelend komt de tram tot stilstand. De trambestuurder moet erg zijn best doen om een aanrijding te voorkomen. Opa ligt in één klap achter in de tram. “Waar is mijn stok?” vraagt hij enigszins aangeslagen. Ik zie dat zijn stok in tweeën is gebroken.

Terwijl opa op de vloer van de tram ligt, zegt de man, vader van die 24 prikoogjes, tegen mijn opa: “Je had ook een rubber dopje aan je stok moeten schuiven ouwe!” Waarop opa zegt: “Ja, bijgochem als jij dat nou gedaan had dan had ik mooi kunnen zitten! Als hadden komt dan is hebben te laat!

Een jonge dame die het tafereel heeft gadegeslagen biedt mijn opa haar zitplaats aan vlakbij de ingang van de trambestuurder. “Dank u wel juffrouw, erg vriendelijk van u”, zegt opa. Ik krijg van opa een snoepje voor de schrik.

Opeens verschijnt er een enorm kinderhoofd voor mijn neus. Het hapgat van dit hoofd zegt ook heel erg geschrokken te zijn! “Ze hebben mij ook snoep beloofd!”, vervolgt het kind. Waarop ik zeg: “Garnalen hebben ook een hoofd, en nou opzouten smartass!” Ik krijg een knipoog van opa. De tram vervolgt zijn baan.

Op de Rozengracht stapt er een man in een tomaatrood pak in. Hij draagt op zijn neus een enorme zwarte bril. De trambestuurder kijkt met een taxerende blik naar deze exoot. Hangend in zijn stoel schuift hij zijn pet achter op het hoofd en zegt: “Mooi rood is niet lelijk”. Hierbij tovert hij een enorme grijns op zijn gelaat. “Gaat deze tram ook naar het centraal station?”, vraagt de man die met een zwaar Spaans accent praat. “Als ik hem in zijn achteruit zet wel”, antwoordt de trambestuurder. “Oh, dus als ik de tram aan de overzijde neem dan ga ik de goede kant op”, zegt de man. “Jij wel Columbus”. Welkom in Mokum.

De trambestuurder waarschuwt ons dat we er bij de volgende halte uit moeten. Hij wenst ons nog een aangenaam verblijf in Amsterdam toe.

Bij binnenkomst van Artis worden we besprongen door een legertje fotografen alsof we van Koninklijken bloede zouden zijn of aan de andere kant een topcrimineel. Als vliegen op een mesthoop hangen ze om je heen. Deze fotografen willen je schieten, kadreren, vastleggen en kooien. Je kunt je van dit alles bevrijden door een borgtocht van fl 15,- te betalen voor twee zwart-wit fotoafdrukjes. In 1966 een best bedrag.

Ik zeg tegen opa dat ik liever een houtskoolportret op de Dam laat maken. De foto’s van deze vliegende panters laten we links liggen.

Waarom geen foto’s met een leeuw of een pelikaan?”, roept opa tegen de fotograaf. “Dat is een goed idee schreeuwt,” de fotograaf. “Dat ik dat niet eerder heb kunnen bedenken”. “Ja”, mompelt opa, “Dat kan je je eigen afvragen”. Opa trekt me aan mijn oren de dierentuin in richting de olifanten.

De olifanten staan op de heuvel hele broden te verslinden. Tegelijkertijd leegt een van de olifanten zijn blaas. “Wij hebben thuis ook een boiler”, zeg ik. De warme damp slaat in ons gezicht.

“Welkom in Artis”, hoor ik achter me roepen. Een medewerker achter ons deelt plattegronden uit van de dierentuin. “Dat is handig”, zegt opa. Op de kaart zoeken we het apenverblijf. Op het eiland zijn de apen aan het ravotten. Er lopen heel veel jonge apen rond. Ik krijg een flashback naar de tram. “Kennen ze in de dierentuin geen geboorteregeling?”, vraag ik aan opa. Wat zeg je jongen? Opa houdt zijn hand bij zijn oor.

“Kijk opa wat doen die twee apen nou? Die ene aap ligt met zijn hoofd op de grond met zijn kont omhoog gericht. Die andere aap staat er tegenaan te duwen!” Opa zegt: “Ja, die voorste heeft zand in zijn oogjes en die achterste duwt hem naar huis”. Ik zeg: “Maak dat de kat wijs”. Opa snoert mij de mond.

We lopen langs een bonte stoet van dieren. Terwijl we dit doen vergelijken we de uiterlijke kenmerken van onze familieleden met het betreffende dier. “Kijk”, zeg ik tegen opa. “Die bloeddoorlopen ogen en de grote bek van de alligator daar links! Precies zoals mijn schoonmoeder uit mijn eerste huwelijk zal zijn.”

Opa bekijkt de krokodil. “Heb jij de gave?”, merkt opa op. Hij kijkt mij aan en knijpt zijn ogen tot een spleetje. “Kan jij in de toekomst kijken?”, zegt opa. “Ja, opa ik denk dat we zo een ijsje gaan eten.” Even later zitten we aan een sorbet te kluiven.

Geen uitje met opa zonder een levensles. Opa verschuift zijn stoel iets. Hij gaat in het zonnetje zitten en begint te praten. “De meeste dieren in Artis zijn nog nooit in hun natuurlijke habitat geweest. Ze weten niet eens hoe die er uit ziet. De meeste dieren hier zijn in gevangenschap verwekt en geboren.” “Zoals die apen”, merk ik slim op. “Ja, zoals die apen hier, bijgochem.

Heel af en toe komt er hier een dier een tijdje logeren. Ook weer om nazaten te verwekken.” “Toch een soort van prostitutie opa. Ze zullen er flink voor betaald krijgen.” “Ja, eh knul je moet me niet van die moeilijke vragen stellen hoor. Het is al weer heel lang geleden voor mij dat ik een pand verbeurd heb.

Tjonge, jonge. Je denkt misschien dat dit hier allemaal normaal is. Maar het is allemaal mensenwerk. De mens verheft zich boven de natuur en dat leidt op termijn tot problemen. De mens bedreigt voornamelijk zichzelf!” “Wat kunt u dat mooi zeggen opa. Ik snap er geen sikkepit van, maar het klinkt heel poëtisch.” “Ja, vind je? Dank je wel jongen.”

“Zeg opa kunt u die tekst even naar mij mailen?” “Wat jongen?” “Gewoon even uploaden.” “Ik weet niet waar je het over hebt”, zegt opa. “O, ik dacht even dat we in 2017 leefden.” “Wilt u nog een kopstoot voor de schrik?” vraag ik aan opa “Dat is goed jongen”, zegt hij. Ik wuif naar de ober. De ober wuift terug.

Doordat opa zijn verhaal heeft kunnen doen, wordt hij steeds losser en vrolijker. “Kom we gaan bij de papegaaien kijken”, zegt opa. In de volière van de theetuin zitten 3 bonte papegaaien. Op de grond zit een groene papegaai, middenin een gele papegaai en hoog bovenin de volière zit een blauwe papegaai. “Waarom blauw”, vraag ik. “Die rookt af en toe een sigaartje”, zegt opa. Wist jij dat papegaaien ook menselijke eigenschappen hebben?” “Zoals”, informeer ik. “Die groene papegaai beneden die kan lezen”, “Lezen?”, zeg ik.  “Ja, echt waar”, zegt opa. “Weet jij wat die gele papegaai kan?” “Die zal wel kunnen lezen en schrijven, opa.”

“Wat denk jij dat die blauwe papegaai wel niet kan?” “Ja, ja”, zeg ik. Die papegaai zit helemaal in de top. Ik moet lang en heel hard nadenken. “Ik moet bekennen dat ik het niet weet opa”. “Ik zal het je vertellen. Die blauwe papegaai kan eigenlijk niets maar die groene en die gele papegaai moeten: ‘MIJNHEER’ tegen hem zeggen.” Opa lacht zich in tranen. De broek van opa gaat als een jaknikker op en neer.

Opa begint moe te worden. We gaan via het reptielenhuis richting de uitgang en verlaten Artis. Met het bootje van Lovers laten we ons vervoeren naar het Centraal Station. Thuis zit mijn Grootje op ons te wachten met een heerlijke pan lamskoteletten. Weldra zijn we weer thuis in Den Helder.

Einde—