Watervrees

Leestijd: 3 minuten

Een anekdote over ‘watervrees’

‘Een zwemleraar moet

met de hersenen van

zijn zwemleerling

kunnen denken’

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

Als kind heb ik een tijd aan de Ringvaart in Haarlem gewoond. Om veilig langs de sloot te kunnen spelen, wilde ik graag op zwemles. Mijn ouders behoorden meer tot de reptiel-achtigen dan tot de vis-achtigen. Ze waren nog nooit op het idee gekomen om in dit waterland aan zwemmen te denken. “Hoe kom je erop, geniaal!” riepen ze in koor.

Als ze water nodig hadden dan gebruikten ze dit alleen in poedervorm of aangelengd met whisky. Van binnen was het huis opgeleukt met een enorme hoeveelheid cactussen. Je waande je daardoor meer in de Sahara dan in de provincie Noord-Holland.

Soms kregen we op school de mededeling dat een jongen of meisje uit de klas niet meer weerom zou keren. Ik vermoedde dat het iets met de ringvaart te maken had. Ik kreeg het voor elkaar dat ik met het buurmeisje op zwemles mocht.

In het begin werd ik keurig gehaald en gebracht door de buurvrouw. Door verandering van lestijden moest mijn vader mij, achterop de Solex, naar het Sportfondsenbad brengen. Toen we op een keer op de terugweg waren van een zwemles zagen we de brandweer langs de ringvaart staan. Ik kneep vader in zijn zijde en gebaarde met mijn arm dat hij moest stoppen.

Er lag een duikersteam in het water. Ik zag dat ze op een gegeven moment een verdronken kind op de kant brachten. Dit beeld ijlde nog lang na bij mij. Met dit beeld voor ogen moest ik verder met mijn zwemlessen. In plaats dat het mij motiveerde, maakte het mij angstig. Op een zeker moment moest ik over naar het ‘DIEPE’ bad. Ik had toch al heel wat oorlogen doorstaan, maar dit was voor mij toch wel een ‘BRUG’ te ver! Een enorme angst maakte zich van mij meester.

Daar wisten die badmeesters wel raad mee “met zulke dwarse kinderen”. Er sprong een of andere gorilla, die uit het Orang-oetang verblijf van Artis was ontsnapt, in het water. Aangemoedigd door Kenau frau Hasselaar werd ik naar het diepe bad gesleurd.

Ondanks de zwemvaardigheid die ik inmiddels had opgebouwd, ontbrak het mij aan moed om door te gaan. De lessen die hierna volgden, waren lessen in het ‘oefenen van geduld’. Als mijn vader me had afgezet bij het zwembad volgde het volgende ritueel: Uitgebreid douchen in zwembroek. Rustig weer omkleden. Haartjes nat. Alles nog even naspoelen in het chloorwater. Hierna op het muurtje bij het zwembad plaatsnemen om vervolgens de komst van vader af te wachten.

Ik heb ongeveer acht weken deze lessen van geduld volgehouden, voordat het ontdekt werd. Dankzij mijn oplettende buurvrouw werd er naar een oplossing gezocht. Mijn advies was om eerst die Orang-oetang terug te brengen naar Afrika! Het zwembad kon meteen maar het beste aan Lenie het Hart vermaakt worden!

Ik begon steeds beter te begrijpen waarom mijn ouders het ‘water’ niet snel in de mond namen. Maar alle gekheid op een stokje. In dit waterland moet men uit lijfsbehoud gewoon leren zwemmen.

Indertijd hadden wij een buurman die bij de mariniers als duiker bij de special force diende. Hij heeft me dingen laten zien van de ‘onderwaterwereld’ die de stoutste verwachtingen ver overtreffen. Deze man is samen met mij in ‘het diepe’ van het sportfondsenbad gesprongen en heeft korte metten gemaakt met de angst voor het diepe water. Hulde aan deze buurman!

Jaren later kwam ik nog het buurmeisje tegen. Ze woont nu op Bonaire.Ze vroeg of mijn ouders nog steeds zo veel dronken.

Ik zei: “Ze drinken nog veel meer, maar nog steeds geen water!”

Einde—