Hoogste Lied

Een anekdote met een bizar ‘slotakkoord’.

Hoewel muziek hem

niet erg trok

hield hij enorm van

Bloes* en Rok**

 *Blues &**Rock

 

Tekst: RobD, Uw Gastschrijver.

De muziek in mijn leven begon met de ‘lawine veroorzakende’ stem van mijn moeder. In de flat waar ik woonde, werd na het horen van haar falset stem altijd het oud papier aan de weg gezet. Waar het nog dagen nadien bleef staan.

Het enige wat het opleverde, was dat er voor de jongelui genoeg ‘brandstof’ te vinden was om wat vreugdevuren aan te richten. Mijn moeder heeft nog enige tijd vast gezeten, wegens medeplichtigheid aan verschillende branden in de stad. Ze werd er van beschuldigd, de middelen voor de brandhaarden, verstrekt te hebben.

In mijn jeugd kwam ook regelmatig de orgelman in de straat. Als je veel gaf dan bleef hij weer een poos weg. Gaf je weinig dan kwam hij vaker en als je niet uitkeek dan speelde hij je ‘plat’. Om de orgelman te helpen gingen mijn buurmeisje en ik aan de overkant van de straat bij de mensen langs om alvast een fooitje voor de orgelman op te halen. Dit deden we geheel op eigen initiatief en zonder overleg met de orgelman. Wij hoopten dat we uiteindelijk een klein deel van het geld zouden mogen houden om er vervolgens wat snoep mee te kunnen kopen.

Plotseling werden we afgeleid door een bonte vlieger die hoog boven de flat uitstak. In de achterliggende straat was de buurjongen André bezig zijn vlieger op te laten. Zijn moeder stond iets tegen hem te schreeuwen. Wij verstonden André en zijn moeder niet. Normaal praten tegen elkaar deed je toen nog niet. Als je elkaar wilde spreken dan ging je eerst een eind uit elkaar staan. Dan begon je elkaar aan te roepen. Ging dat niet goed, dan ging je nog verder uit elkaar staan om te gaan schreeuwen.

Dit deed je net zolang totdat je bij een telefoonwinkel aanbeland was. Op deze wijze is de hele telefoon industrie ontstaan. Nu is dat weer een beetje doorgeslagen. Je ziet mensen die naast elkaar zitten met elkaar ‘Appen’. Het zal wel iets cultureels zijn. Maar dit terzijde.

Gelukkig had ik vroeger al meer met schrijven. Ik probeerde de muziek van mijn moeder te vangen in noten. Ik was in de veronderstelling dat het hierdoor draaglijker zou worden. Mijn buurjongen J. van Veen had een piano en begreep niets van mijn aanwijzingen. Hij vond drums ‘het’ instrument voor mij en gaf mij een aantal platen van Genesis. “Je moet eens naar de dynamiek van die drummer luisteren,” zei hij.

Later ben ik na een korte carrière in het kerkkoor, waar ik voor de dames gedichten schreef, overgenomen door de plaatselijke Fanfare. Mijnheer pastoor had hulp gevraagd aan de Dominee. Beiden waren het erover eens dat deze switch beter paste bij mijn muzikale ontwikkeling. In de Fanfare werd ik tot een van de belangrijkste figuren gemaakt. Ik mocht de vlag dragen. Een heel belangrijke taak, aldus de dominee.

De drums, die ik à la Phil Collins bespeelde, strookten niet met het tempo dat de Fanfare doorgaans speelde dus werd het voorlopig de vlag. Zo werd ik heerlijk in een open truck rondgereden en liet me vermaken met die heerlijke muziek van de Fanfare.

Na mijn militaire dienst leerde ik via mijn stiefbroer Steve een meisje kennen. French werkte als zanglerares in de koepelgevangenis in Haarlem. French had het lichaam van een slangenmens en was zo sterk als Houdini. Als ze haar zinnen op iets had gezet liet ze niet meer los. Wat mij verbaasde, was dat ze enorm geïnteresseerd was in het Hooglied. Terwijl ze niets met een kerk had. Deze interesse deelde ze met Steve.

Het was voor mij ook maar een tijdelijk duet. Ik ben uit haar tentakels ontsnapt. De voorgeschiedenis wil ik graag hier delen: Het was namelijk zo…Steve zo A-muzikaal als het maar kan zijn, vond dat het tijd voor mij werd dat er wat ‘violen’ uit mijn slaapkamer moesten opklinken. Ik nog wat extra vioolles genomen bij mevrouw Hartveld. Achteraf gezien had ik beter een cursus taekwondo kunnen nemen. Zit ik met de meid op bed waar ik normaliter nooit zit. Probeert die meid mijn kop eraf te bijten. Ze omarmt me met haar acht poten. Mijn leven trekt zich als een film aan mij voorbij. Ik zie ineens het gezicht van mijn moeder die zegt: “Wat ben jij een lekker hapje.” Ze zet haar houtgreep aan. Ik begin te schreeuwen.

Opeens wordt er op de deur gebonsd. Het is begin december. “Het zal toch niet waar zijn,” denk ik. “Thee!” hoor ik roepen. Het is de stem van mijn hospita. Ik krijg nooit thee. Alleen als ik ziek ben. De greep om mijn lijf verslapt. Ik neem de thee in ontvangst. Later vraag ik aan de hospita waarom ze mij gered heeft. Ze zegt: “Jij hebt beloofd die nieuwe douchekop te monteren, en belofte maakt schuld!”

Ze zou familie van me kunnen zijn. Ik denk nog wel eens terug aan French als ik haar parfum ruik of de platen van Phil Collins draai.

Einde—