De Blauwe Walm

Ome Gerrit zat op zijn vaste stekje in het café De Blauwe Walm, een tafeltje met daarbij slechts twee stoelen, eentje voor de oude baas zelf en eentje voor zijn hondje Schele Dirkie die op zijn beurt met zijn rechteroog altijd naar links keek. Het uitzicht vanuit deze bruine kroeg aan een dijkje in een Noordhollands stadje is op een parkeerplaats waar je niet dood gevonden wilt worden, het is daar enorm saai, een hippe stadsarchitect met een hoornen rond brilletje heeft geprobeerd hier verandering aan te brengen door streekgebonden panden te laten bouwen met duurzame plastic gevels behalve aan het dijkje waar De Blauwe Walm is gevestigd.

Aan de bar stond Nel, een dikke vijftiger zij deed sterk denken aan Blonde Greet uit de Jordaan met spierwit geblondeerd haar dat altijd stijf staat van de haarlak. Ome Gerrit observeerde haar ondanks dat hij slechtziend was, zijn blik viel op haar prachtige kuiten en dat voor haar leeftijd, geen bulten en spataderen. Haar zwarte pumps staken af bij de bleke benen, de zon heeft haar benen deze zomer niet gezien. Nel nipte aan haar glas witte wijn toen Ome Gerrit haar aandacht vroeg.

Zeg moppie, waar gaan die mooie benen naar toe vandaag.” Het werd stil, al had de uitbater van De Blauwe Walm de elpee ‘Nighthawks At The Diner’ van Tom Waits als muzikaal behang op zijn installatie draaien. De Amerikaan kreunde met zijn rauwe stem onder begeleiding van een pianist allerlei ingewikkelde verhalen waar Ome Gerrit geen bal van snapte, zijn Engels was meer dan beroerd.

Wat moet je ouwe viezerik”, vroeg Nel. “Het gaat je geen reet aan waar mijn benen naar toegaan, daar ga ik zelf over.” Schele Dirkie, een Maltezer, keek met zijn witte kopje op om vervolgens zich te laten horen door te grommen. “Zwijg”, commandeerde Ome Gerrit. “Dat heb je toch niet tegen mij”, reageerde Nel boos. Het hondje zweeg net als zijn baas.

Na wat gerommel in de binnenzak van zijn vale spijkerjack vond Ome Gerrit zijn shag, halfzwaar, de tijd van zware shag lag ver achter hem. Maar dan die vervloekte vloeitjes, hij kon ze niet vinden totdat hij in zijn broekzak graaide waarin hij een verfomfaaid pakje vond. Hij peuterde er een vloeitje uit, deed wat shag in de vouw van het vloeitje en draaide zijn sigaretje. Een doosje lucifers haalde Ome Gerrit uit zijn borstzak, hij schudde het doosje en hoorde dat er weinig lucifers waren, doof was hij niet. Slechts twee lucifers waren zijn vrienden die middag.

Zijn één na laatste lucifer streek hij langs de zijkant van het doosje om het houtje tot ontbranding te krijgen. Het lukte, de lucifer brandend tussen zijn vingers bracht hij naar het sigaretje dat Ome Gerrit zojuist had gedraaid. Het tabak brandde, Ome Gerrit inhaleerde diep en blies de rook recht voor hem uit. “Krijg de pleuris Nel, heb je niks anders te doen dan mij af te blaffen, daar heb ik Schele Dirkie voor nodig jou niet.”

Nel dronk in één teug haar glas leeg, pakte uit haar portemonnee drie euro en knalde de muntstukken demonstratief op de bar. Zij vertrok direct, de barman keek haar na. De deur van De Blauwe Walm klapte na haar vertrek hard tegen de deurpost. Ome Gerrit bestelde nog een kop koffie en voor Schele Dirkie een portie ossenworst op een schoteltje. Na het bakkie leut tilde hij zijn hondje van de tweede stoel af en zette hem op de grond. Ome Gerrit rekende af, hij strompelde met Schele Dirkie naar de deur van de kroeg. “Tot morgen”, riep hij. Er was niemand meer in de zaak, het was nu echt stil, de elpee van Tom Waits was ook al uitgedraaid.

Willem Croese