Een anekdote dat tot de bodem gaat

‘Men struikelt niet

over

een berg,

maar over een steen’

 

 Uitkijken

 Tekst: RobD, Uw gastschrijver.

 Toen ik vorige winter als een komeet op de bevroren aarde insloeg, dacht ik dat ik minimaal mijn rug gebroken zou hebben. Ik appte het naar mijn schoonzusje, de vrouw van mijn oudste broer Hendrik. Ze appte terug: “Nou ja, komeet, komeet?? Overdrijven is ook een vak. Je bedoelt dat je als een pudding bent neer gezegen op je knieën in de sneeuw!” “Nee!” corrigeer ik. “Keihard onderuit gegleden op mijn ruggetje.” “Als ze tijd over had dan zou ze medelijden met me hebben,” liaande ze terug. Ik moest in het vervolg maar beter uitkijken! Mijn schoonzusje vindt mijn verslag té poëtisch en té overdreven. Als goed West-Friese roept ze me steeds na: “Het valt niet mee een houten bakkessie te zoenen als je een stenen gewend bent!”

Ik bedenk me dat ‘haar’ laatste zweefmoment op ongeveer 5 jarige leeftijd, tijdens het touwtjespringen, moet zijn geweest. Toen zij nog een popje was. Dit rupsje nooit genoeg was kennelijk vergeten dat het doel in haar leven, de natuurlijke vlucht aan een rekstok had kunnen zijn.

Zij heeft nog altijd het vooraanzicht van een prachtige vlinder. Maar om met haar 160 kg te kunnen vliegen, zal ze een paar straalmotoren moeten aanschaffen om enige levitatie te bewerkstelligen. In gedachten zie ik het al voor me.

Als het voorjaar is, zal ik op zoek gaan naar de krater die ik veroorzaakt heb door mijn val. Waarschijnlijk zal die als kraamkamer door de kikkers in gebruik zijn genomen. Door de fysieke ongemakken en onhandigheden als gevolg van mijn blessure, heb ik tussentijds mijn bril vernield.

Gelukkig bracht mijn oude dementerende moedertje uitkomst. Ik heb haar bril tijdelijk geleend. Ik moet zeggen dat je wel verdomd goede ogen moet hebben, wil je door D-10.0 heen kunnen kijken. Vroeger zeiden ze al tegen mij: “Kind, je hebt de ogen van je moeder.” Als verantwoordelijke moederkloek, heeft mijn moeder haar bril zonder enige vorm van protest bereidwillig ingeleverd. Niemand zal ervan opkijken als ik met de bril van mijn moeder rondscharrel.

Mijn moedertje doolt momenteel zonder haar bril een beetje meewarig rond in het rusthuis. Aan haar piepgeluiden kunnen ze precies lokaliseren waar ze is, zodat er rond de klok van 6 een warme hap gevoerd kan worden. Ze ziet er momenteel zonder die jampotglazen, volgens de mannelijke medebewoners, heel aantrekkelijk uit. Een aantal heeft onlangs verkering met haar gekregen. Er is een medebewoner die al uitkijkt naar ‘een verloving’. Bizar. Aan de andere kant hebben ze het ook wel weer gezellig. Thuis aangekomen, kan ik weer verder werken aan dit verhaal.

Ik heb in mijn jeugd wel vaker bekijks gehad. Als knaapje van 7 jaar, kreeg ik voor mijn verjaardag een prachtig opgeknapte fiets. Nog voordat die fiets zich in mijn herinnering kon postvatten, moest ik hem al weer inleveren. Dit tot grote hilariteit van ons vlinderachtige buurmeisje. (Dezelfde als in het begin van dit verhaal. Al was ze toen nog 5 jaar. Zij werd 20 jaar later in onze familie aangenomen als mijn schoonzusje en echtgenote van mijn broer Hendrik!) Er had zich namelijk een nieuwe eigenaar voor mijn fiets gemeld. Mijn oudste broer Hendrik! Hij had de oudste rechten. Zijn wil was, na vaders wil, Wet. Hij liet mij zijn aftands racefietsje na. Een hoopje schroot met gladde banden. Levensgevaarlijk!

Op weg naar school sloeg ik met dit aftandse racefietsje over de kop. Ik belandde met mijn hoofd op de ‘kinderkopjes’. Ik was kennelijk buiten bewustzijn geraakt en werd enige uren later wakker door een kus, op de sofa van een dame. Toen ik bij kennis kwam, ben ik haar huis uitgerend. Waarom? Ik weet het niet meer. Ik ondervind nog dagelijks de gevolgen van deze smakkerd. Met een flinke hoofdwond heb ik de komst van mijn moeder afgewacht.

Zij was weer eens de stad in voor de zoveelste nieuwe bril. Toen ik hoorde welke bedragen zij aan deze astronomie uitgaf, vroeg ik mij af waarom ze geen fietsie voor mij kon betalen. Ik zag de gedwongen afstand van mijn fiets als een verhulde aanslag op mijn verborgen talenten. Het zou toch zeker nog negen jaar duren, voordat ik een brommer zou mogen rijden. Ik kwam tot de conclusie dat het met karaktervorming te maken moest hebben.

Na mijn herstel van de hersenschudding, kreeg ik die begerenswaardige huissleutel met de daaraan verbonden takenlijstje, boodschappenbriefje en huishoudgeld. Maar nog zonder die IPhone van Apple. “Die Steve Jobs moet eerst maar eens zijn school afmaken”, zei moeder altijd. Dat ging dus nog jaren duren.

Doordat ik belast was met verschillende huishoudelijke taken, ging ik sindsdien in gestrekte draf naar huis. Ik moest vanuit school op weg naar huis altijd een drukke weg oversteken. Aan beide zijden van de weg stonden, zo ver het oog kon reiken, auto’s geparkeerd. Er pendelde een SRV wagen heen en weer. Ik meende al het verkeer in mijn glas in lood bril te hebben gezien. Als een ‘frogger’ waagde ik de oversteek. Ik sprong op goed geluk op de rijbaan.

Rechts van mij kwam een rood sportautootje aanstormen. Ik twijfelde nog of ik zou doorlopen. Ik zag de auto op mij af komen. Ik bleef ‘als bevroren’ op de rijbaan staan. Toen het geluid van de piepende banden ophield, zette ik het op een lopen. Hoewel ik voorop liep, gaf het geen gevoel een winnaar te zijn. Ik liet in blinde paniek een spoor van winkelartikelen uit mijn boodschappentas achter. Dit spoor had mogelijk naar de ouderlijke woning kunnen leiden, ware het niet dat ik die dag alleen wat broodbeleg moest halen.

Het spoor hield daardoor al na 10 meter op. Ik had mazzel dat het woensdag was. Als het vrijdag was geweest dan zou het spoor uit de weekeind boodschappen hebben bestaan. Dan was ik zeker de klos geweest. De goden waren mij weer eens goed gezind geweest. De man was gelukkig naar zijn auto afgedropen. Stijf van de adrenaline, heb ik thuis nog een poos in de gangkast gezeten uit angst om de geschrokken bestuurder onder ogen te moeten komen.

De volgende dag, zelfde tijd, zelfde situatie. Het werd een rendez-vous met de man van het rode sportautootje. Ik stond wederom ‘als bevroren’ voor zijn autootje op het asfalt. Door zijn snelle reactie werd een ongeluk, met wat zeker een dodelijke afloop zou hebben gehad, voorkomen. De nazit was verrassend. Hij was zijn auto uitgesprongen. Na een korte achtervolging te voet, dook hij als een zwarte panter op me. Ik stond oog in oog met de bestuurder van dit rode sportautootje.

Eindelijk had hij mij te pakken. Ik moest eerst een paar klappen incasseren.Dit soort coureurs leert altijd héél laat praten. Na deze aframmeling ontstak hij in een tirade. Ik heb nog nooit in een zo korte tijd zoveel scheldwoorden geleerd. Bloemen voor die man! Ik dacht nog: Hij probeert me vast uit te leggen dat ik beter moest uitkijken met oversteken. Hij gooide mijn brilletje voor me op de grond die ik in de weeromstuit verloren had en begon het kapot te trappen. Ja, dat zou mij vast enorm helpen om beter uit te kijken! Dank! Welke maatschappij deze maatregel uitgevaardigd, heeft is mij tot op heden onbekend. Gelukkig at ik ‘s morgens altijd mijn boterhammen op de heenweg naar school. Aan de hand van de achtergebleven broodkruimeltjes kon ik na deze afjacht de weg naar het ouderlijk huis gewoon terugvinden, al duurde de terugweg wat langer dan gewoonlijk.

Toen ik na deze confrontatie voor de spiegel stond, herkende ik mijn eigen vertrouwde gezichtje niet meer. Ik constateerde dat het circus wezen toch een groot talent in mij misgelopen was toen ik mezelf in de spiegel terugzag. Op straat werd ik met die witte pleisters op mijn wenkbrauwen en die gezwollen rode neus al vrij snel nageroepen met: ‘hé, Bassie waar is Adriaan?’ Ik heb nooit enige aspiratie met het circus gehad. Ik dacht: “Het wordt tijd voor een nieuw kunstje!”

Niet lang daarna vertrokken wij uit West-Friesland.

Na verloop van tijd verschenen er gebodsborden langs de kant van de weg, met de aanduiding van de toegestane maximum snelheid te weten 30 km/uur. Voorheen kon de automobilist zijn snelheid bepalen naar gelang zijn eigen goeddunken. In de bebouwde kom lag die doorgaans tussen de 70 en 90 km/h. Sinds het invoeren van de 30 km/h zone nam ‘het aantal ongelukken zonder dodelijke afloop’ schrikbarend toe.

Toen het leven in een rustiger vaarwater was beland, besloot ik om te gaan voetballen. Dit leek mij wel een veilige sport. Ik heb het hier over de begin jaren zeventig. Ik ontmoette het gouden AJAX team in de trein naar Amsterdam. Ik betrad hier het veld van de echte professional, ook al was het op dat moment een treincoupé. De spelers zaten in de trein gemoedelijk een kaartje te leggen en speelden om wat kleingeld. Dat voetbal leek me wel een gemoedelijke sport, zonder schreeuwende mensen en gedoe.

Met de wondersloffen van mijn vader onder mijn armen meldde ik me aan bij FC Haarlem. Op de eerste training was ik van de partij. Ik betrad het veld. Terwijl ik probeerde te voetballen vroeg ik me af hoe mijn vader ooit op ‘deze sloffen’ had kunnen voetballen. Door die houten neuzen waren mijn tenen al tot pastei gedeformeerd. De roestige spijkers drongen van onderaf de zool, dwars door mijn sokken rechtstreeks mijn hakken in. Helaas werd ik in mijn dubbele schaarbeweging vanachter onderuit geschopt en brak direct bij mijn enkel af. De trainer riep nog dat ik beter moest uitkijken voor deze tegenstander.

Nog voor het seizoen was begonnen, lag ik er al weer uit. Ik heb hierna twee jaar op krukken moeten lopen. Ik was hier heel behendig in. Als je zoveel talent hebt, moet je gewoon iets anders gaan doen, dacht ik.

“Ga, bijvoorbeeld gewoon eens wandelen!” Ja, wandelen weet je wel, het ene been voor het andere zetten. Dat is toch niet zo moeilijk!

Zo ben ik weer aanbeland bij het begin van dit verhaal.

Wat ik me nu bedenk, is dat ik nog een zwembrilletje moet hebben die ik speciaal heb laten maken met glazen op de juiste sterkte voor mijn ogen. Als ik hem heb gevonden, breng ik die bril van mijn moeder eerst even terug.

Einde—

 

Geef een reactie